Laten we maar aan de slag gaan en nuchter kijken hoe het gaat

Een stadse houding vereist een behoedzame en praktische omgang met de veelheid aan opvattingen, waarheden en religies.

Tekening: Alen Lauzan Falcon Falcon, Alen Lauzan

Vlak voordat de oorlog in Bosnië losbarstte, verscheen op de muren van een postkantoor in Sarajevo de kreet: „Dit is Servië!” Even later schreef iemand eronder: „Nee, idioot. Dit is een postkantoor.” De anekdote, verteld door filmmaker Nedzad Begovic in Totally personal, illustreert het verschil tussen een doorgeschoten provincialistische mentaliteit en een stadse levenshouding. Voor de radicale provinciaal schuilt ‘achter’ het postkantoor nog wat anders, iets wezenlijker – het staat immers op heilige bodem: Servië. Voor de stedeling is een postkantoor een postkantoor omdat je er brieven kunt posten – veel meer moet je er niet van maken.

De oorlog in Bosnië wordt meestal omschreven als een etnisch conflict, maar de gretigheid waarmee milities uit het achterland op steden schoten en eeuwenoude monumenten opbliezen, laat nog iets anders zien. Hier vond ook de provincialistische wrok tegen de stad een uitlaatklep. Er werd zelfs met zoveel verbetenheid op steden geschoten, zonder een duidelijk militair doel, dat een architectencollectief uit Mostar in 1992 een nieuwe term bedacht: urbicide.

De vete tussen provincialisme en de stad strekt verder dan deze lokale oorlog. Veel mondiale spanningen en conflicten zijn in feite een zoveelste variant van de strijd van de provincie tegen de stad, aldus Avishai Margalit en Ian Buruma in Occidentalism. In dit boek laten ze zien hoe oosterse vooroordelen en haat jegens het Westen importproducten zijn van een oorspronkelijk in het Westen gecultiveerde romantisering van het platteland en minachting voor de stad. De stad staat hier voor decadentie, gebrek aan eer, ontworteling, materialisme en veelvormigheid, terwijl alleen het platteland een zuiver en authentiek leven mogelijk maakt.

Margalit en Buruma beschrijven hoe vrouwvijandige clichés op de stad worden losgelaten. De stad is als een vrouw: veranderlijk als een windvaan, verleidelijk maar uiteindelijk pragmatisch, om niet te zeggen kil en berekenend. Het gaat haar alleen om het uiterlijk; je denkt weliswaar iets achter haar schone verschijning te kunnen vinden, maar dan blijkt dat die verschijning niets meer was dan inderdaad slechts schijn. Typerend voor het übermachismo van de Bosnisch-Servische paramilitairen is dat voor pasgeboren zonen in die tijd de naam ‘Rambo’ in zwang was.

Het verwijt dat de stad nergens écht voor staat, is niet uit de lucht gegrepen. In de stad huizen vele opvattingen, waarheden en goden, waardoor een flinke dosis pragmatisme onvermijdelijk is.

De schijnbare oppervlakkigheid is al eeuwenlang een steen des aanstoots voor intellectuelen. Al in de vijfde eeuw ergerde filosoof en kerkvader Augustinus zich in Over de Stad Gods aan de grote verscheidenheid aan meningen in de stad. Het antieke en democratische Athene, waar veel opvattingen naast elkaar bestonden over de politieke koers die de stad moest volgen, was in zijn ogen een broedplaats van het kwaad, te vergelijken met het bijbelse Babylon waar alle spraakverwarring begon. In de Griekse stadstaat nam het stadsbestuur niet de moeite om alle opvattingen over het ‘opperste goede’ (summum bonum) te ordenen, en er één als de enige juiste uit te roepen.

Deze houding van Augustinus was beïnvloed door de antieke filosoof Plato, weliswaar een Athener, maar behept met een grote weerzin tegen deze stad. In Athene regeerde volgens hem niet de deugd. De stad was in handen van sluwe politici die het volk naar de mond praatten „met louter genot als lokaas”.

Toch was Plato niet de stadshater waar hij nogal eens voor wordt uitgemaakt. In zijn boek Politeia (doorgaans vertaald met ‘De staat’, maar aangezien polis verwijst naar de Griekse stadsstaten kan het ook ‘De stad’ worden genoemd) waardeert hij de stad om pedagogische en vormende redenen – de plaats waar moraal en karakter wordt gekweekt. Maar dan moet die stad wel geórdend zijn, en moet de blik van alle burgers zonder uitzondering gericht zijn op het ware en het goede. En dat was in het Athene van zijn tijd allerminst het geval. Het stond „eenieder vrij om te doen wat hij wil”. Van een eensgezinde koers was geen sprake en dus is de stad onrechtvaardig.

Ook volgens Plato draaide het in Athene louter om het uiterlijk, om klatergoud en snel gewin. Terwijl de rechtvaardige stad juist een afspiegeling moet zijn van het innerlijk: van geestelijke wilskracht, geleid door de rede die weet dat de deugd bestendiger is dan wispelturige begeerten. Willekeur of chaos worden daarom niet getolereerd. Een pedagogisch programma dient de stedelingen op te voeden tot deugdzame patriotten. Homogeniteit en gelijkschakeling is het doel. Alles wat afwijkt van de orde – al te wilde muziek, of theaterspelers die steeds van rol wisselen – moeten volgens Plato worden geweerd.

Ondanks de afstand van eeuwen die ons van Plato en Augustinus scheidt, worden we in de moderne stad nog steeds voor vergelijkbare vragen gesteld: hoe gaan we om met de veelvormige, onoverzichtelijke stad waar vele opvattingen huizen en waar vele, verschillende mensen naast elkaar moeten zien te leven? Je hoort tegenwoordig maar al te vaak dat pluriformiteit teruggedrongen, geordend en bezworen moet worden.

Bovendien: ondanks de schijn dat we in een oppervlakkige cultuur leven, in een wereld van modes en mediahypes, zijn we steeds meer gefixeerd op het innerlijk. Het verschil met Plato is hooguit dat zijn strenge deugdenoffensief diende om hooggestemde idealen te verwezenlijken: het Ware en het Goede.

Die idealen zijn er niet meer, maar het wantrouwen over de ‘innerlijke motivatie’ van afwijkend gedrag is gebleven. Als in Amsterdam bijvoorbeeld een moslimmeisje bij de politie informeert naar de mogelijkheden een hoofddoek te dragen op het werk, dan wordt er meteen een gewetenskwestie van gemaakt. Deugt ze ‘van binnen’ wel? Is ze onpartijdig? Loyaal aan Nederland?

Natuurlijk zijn er allerlei zwaarwegende praktische redenen waarom het soms niet slim is om ostentatief je religie te tonen, zeker niet bij de politie. Maar dat is niet de primaire houding van de hedendaagse bewakers van het juiste innerlijk. Die hebben hoe dan ook al hun twijfels of tonen zich ronduit onverzoenlijk. Ze willen juist niets met de praktijk van doen hebben, en vertrouwen het bij voorbaat al niet. Op die manier wordt een dilemma dat misschien lokaal kon worden opgelost een landelijke kwestie die principieel wordt geslecht in de Tweede Kamer door een wet.

De fixatie op het innerlijk, op datgene wat achter de façade van de stad en de stedeling schuilgaat, is een rampzalige strategie in een multiculturele samenleving. Ze leidt niet tot de verlangde eenheid, maar juist tot steeds grotere verdeeldheid.

Het a priori wantrouwen ontmoedigt mensen om zich uit te spreken en te handelen in wat de Duitse filosoof Hannah Arendt de ‘publieke ruimte’ noemt – een ruimte waar volgens haar mensen hun verschil met anderen moeten kunnen tonen. Als ze juist om dat verschil worden gewantrouwd, en zelfs aan hun innerlijke motivatie wordt getwijfeld, dan worden ze met de rug tegen de muur gedrukt. Ze trekken zich dan wrokkig terug, en kunnen de stad gaan haten.

Bovendien missen we een grote kans als we zo blijven handelen. Om te kunnen leven in een multiculturele stad is een flinke dosis pragmatisme onontbeerlijk. Om ons niet bang te laten maken door het vermoeden van allerlei verborgen identiteiten en loyaliteiten is een nuchtere houding nodig, een die zegt: soms is een hoofddoek maar een hoofddoek, net zoals een postkantoor gewoon maar een postkantoor is; laten we nu maar aan de slag gaan en kijken hoe het gaat.

Het klinkt misschien oppervlakkig, en gespeend van principes. Verwijfd, zouden stadshaters zeggen. Goddeloos, zou Augustinus er aan toe voegen.

Maar wat een opluchting zou het zijn als naast het donderende Prinzipienreiterei wat meer mensen zouden zeggen: we kunnen altijd nog zien, het kan altijd nog anders.