Kanshebber

Ik ben de weerwolf in haar grot.

Als God beluister ik het duister van haar vlees.

Eend met pik in de holte van haar kot,

haar blik bijziend en scheel, lauw ooglid

zonder bol, brakke zee van nooit teveel.

Ik pel haar larf open. Zij beeft als ik haar lees.

En ik zei de zot ben in haar sprot een mol.

Ben de hond die met opgeheven been

tegen haar gedolven gleuf aanpist,

haar wond de pekelharing die gladvettig

net niet uit mijn handen glist.

(Maar voor hetzelfde geld

ben ik de horzel in haar mossel.)

Zij? Zij is een gebutste deur,

altijd op een kier. Ik ben haar kwast

en kleur haar scheur. Ik klink haar vast.

Rat die zich krabbend wast

dankzij haar terpentijnen klier.

(Maar voor hetzelfde geld

is zij gutsend doof. Bewoon ik

rinkelbellend haar alkoof.)

Zo doe ik dat. Wat dacht je dan?

Ik ben behalve wolf ook klusjesman.

Ik blaf en jank en sproei

waar haar schelp het hebben kan.

Sta mijn mannetje als dierenriem

en worstel zacht met mijn apin

terwijl ik al haar plooien

met lier en scherp lancet bemin.

(Daar ga ik weer. De lynx met speer.)

Ik stel florafauna zwalpend voor

als iets nats en zilts en rauws.

Toch blijft ze ondanks alles

diep en dieper nog teleurgesteld.

Ik kan het nooit zo Nobel en West-Vlaams

als hugo fucking claus.

Joost Zwagerman

In Kanshebber, ode aan minnezanger Claus uit Tot hier en zelfs verder (Arbeiderspers, 2005), verwerkte Zwagerman enkele woorden en zinsneden uit Claus’ gedichtencycli Nu nog en Dag, jij.

    • Joost Zwagerman