Iedereen heet professional maar bijna niemand is het

Ineens heet iedereen professional. Docenten zijn onderwijsprofessionals, mensen in de verpleging zijn zorgprofessionals, en voor een baan in de bewaking kun je een opleiding tot veiligheidsprofessional volgen. Het is een woordsluier die een truc verdoezelt. Mensen die gewoon hun vak doen, krijgen een mantel van zelfstandigheid omgehangen en mogen zich even, als bij een Volendammer verkleedfoto, voordoen als iets dat ze niet zijn.

Het doet me denken aan hoe mijn broers en ik vroeger omgingen met ons kleinste broertje. Die raakte regelmatig in de knel bij ons ruigere spel, en dreigde dan in tranen „het aan mama te gaan zeggen”. Wij wisten dat er dan wat zou zwaaien, en dat bezwoeren we door de kleine te vertellen dat hij toch zo groot en stoer was. „Ja, ikke groot”, zei hij dan, veegde zijn tranen weg en redde ons van een verdiende bestraffing.

Een professional klaagt niet, dat klopt. Die kent zijn verantwoordelijkheid, en als er iets niet deugt dan doet hij er wat aan. Het woord professional heeft te maken met profes, dat is de gelofte waarbij een intredende kloosterling gehoorzaamheid belooft aan de regel van de orde. Een geestelijke professional ondergaat een wijding, waarmee hij letterlijk een andere sfeer en een ander leven betreedt, met andere waarden en waarheden. Een wereldse professional heeft zijn toewijding. Hij doet dat waartoe zijn roeping hem roept. Aanwijzingen of berispingen aanvaardt hij alleen van zijn gelijken, want leken hebben van roeping geen besef. Daarom hebben professionals tuchtrechtspraak, en laten zij zich niet sturen door functioneringsgesprekken of targets op het gebied van omzet, winst of aandeelhouderswaarde.

Klassieke professies zijn die van arts of advocaat. Zij hebben met een plechtige gelofte trouw gezworen aan een hogere waarde, zoals eerbiediging van het leven of het recht. Een zuivere professional heeft geen vak, want een vak is een vakje, een deelgebied. Een professional kun je ook niet in dienst hebben, want hij dient altijd in de eerste plaats iets anders. Daarom heten professionals autonoom en komen zij vaak eigenwijs over. Als zij iets moeten doen wat niet bij hun roeping past, pakken zij hun biezen. Dan zoek je het zelf maar uit.

Het zijn de autonomen die zorgen voor de reuring en de opstand in het bestaan, voor het „en tóch” van Galileo, voor het „hier sta ik” van Luther. Die zijn belangrijk maar je moet er niet te veel van hebben. Gelukkig zijn de meeste mensen niet zo groot of zo moedig. Zij hebben andere kwaliteiten, zoals zorgzaamheid, trouw, hulpvaardigheid of kalmte. Die zorgen voor de rust en de stabiliteit in organisaties en in de samenleving. Zij zijn de niet-autonomen, de medewerkers, de verzorgers en de volgers. Zij werken voor een leider of een baas, en vinden dat prima.

Het stilzwijgende contract tussen leiders en volgers is altijd ‘ik doe wat jij zegt, en jij zorgt voor mij’. Dat geldt voor dieren in roedels en kuddes, het geldt ook voor mensen in groepen. Dat zorgen betekent dat je te eten krijgt, of geld om het mee te kopen, maar ook veiligheid, waardering en aanzien. Veiligheid wil zeggen dat de baas je verdedigt als je in de knel komt. Aanzien houdt in dat je er trots op bent bij hem te horen. Baaszijn is daarom veel meer dan bevelen uitdelen. Verlicht als we zijn hebben we de woorden baas en knecht uit ons taalgebruik geschrapt, want er spreekt ongelijkheid uit en daar houden we niet van. Dat we niet graag klein zijn is te begrijpen. Maar intussen verzaken we ook de andere kant, van groot en verantwoordelijk zijn. Zo laten we de mensen die niet zo sterk, stoer en eigenwijs zijn als wij en die van ons bescherming en aanzien verwachten, in de kou staan.

Baas willen we niet meer zijn. We zijn liever manager, dat geeft minder gedoe. Managers zijn bazen minus de zorg. Het zijn rangeerchefs die vanachter een controlepaneel human resources, menselijke bedrijfsmiddelen heen en weer schuiven. Vorige week stond in deze krant onder de uitdagende kop Leve de managers! een stuk van bestuurswetenschapper Mirko Noordegraaf. „Zo zijn er managers die hun werkvloeren beschermen”, schrijft hij, en „managers kunnen ook vóór hun organisatie gaan staan als zich crisissituaties aandienen.” Wel, bravo! Zo hoort het ook, zou je zeggen. De treurnis ligt daarin dat Noordegraaf het noemt als iets wat kan gebeuren en soms gebeurt, maar niet standaardpraktijk is. Het zou moeten zijn ingegraveerd in de beroepscode van de managerskaste, maar die bestaat niet. Managers die het wel doen, mogen wat mij betreft weer als eretitel de geuzennaam ‘baas’ dragen.

Wat nu in sectoren als de zorg en het onderwijs gebeurt, is contractbreuk. De uitvoerende medewerkers liggen onder vuur. Nu moeten ze de bescherming krijgen die volgens hen in de overeenkomst zat, maar die komt niet. In plaats daarvan benoemen beleidsmakers, managers en opinieleiders hen ineens tot professionals. Het is de truc die wij vroeger met ons broertje uithaalden. „Ja, ikke groot”, knikken ze, en drogen hun tranen. Zo zijn ze ineens niet langer medewerkers met een aanspraak op bescherming, maar professionals die zelf verantwoordelijk zijn voor de ontreddering in hun omgeving. Daarmee zijn wij er mooi van af.

Maar het was de afspraak niet. En zij hadden de ruimte niet om te zeggen „als professional weet ik wat mij te doen staat, en nu iedereen opgehoepeld. Weg uit mijn klaslokaal, weg uit mijn behandelkamer, weg uit mijn verpleegafdeling.”

We noemen iedereen professional maar haast niemand is het. Niet in deze sectoren, en bijna nergens. We zijn, gelukkig, voor het grootste deel gewoon medewerkers, met een gerechtvaardigd verlangen naar inkomen, veiligheid en aanzien.

De rest van ons staat voor een keuze. We kunnen manager worden of blijven, bekwame opstellers en uitvoerders van technische plannen. We kunnen ons als autonome professionals wijden aan een roeping of een hoog doel. Of we kunnen baas worden, echt baas, met zorg en verantwoordelijkheid voor de mensen die voor ons werken.

    • Johan Schaberg