Hoe anders kan en mag je zijn in de publieke ruimte?

De stad als publieke ruimte: wat betekent dat voor hoofddoekjes en de vrijheid van meningsuiting? Een debat tussen Paul Scheffer en Rudi Visker.

Rudi Visker is als hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. Zijn laatste boek is ‘Lof der Zichtbaarheid’. Foto Roel Rozenburg Rotterdam: maart 2008 Rudi Visker. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Eerst worden de handen geschud, maar dan legt Rudi Visker met een klap twee boeken op tafel. Het land van aankomst, van Scheffer. En daarbovenop zijn eigen nieuweling Lof der zichtbaarheid. „Ik heb jouw boek gelezen”, begint hij uitdagend. Scheffer bromt terug dat hij het vorige boek van Visker wel heeft gelezen en hier nog niet aan is toegekomen. Maar het debat is geopend. De stad. Publieke ruimte. Burgerschap. Hoe verhouden die zich tot elkaar?

Visker mag beginnen. „Toen ik hoorde dat de stad het thema zou worden van de maand van de filosofie, dacht ik meteen: dit brengt het risico met zich mee van de oude clichés. De stad die eigenlijk bedoeld is als ruimte voor ontmoeting, maar nu is verworden tot een ruimte waar mensen aan elkaar voorbijgaan. Ik heb een andere gedachtengang ontwikkeld over het publieke en het private. Een stad is een dermate heterogeen geheel dat je onvermijdelijk geconfronteerd wordt met verschillen. Meestal ziet men dat als een confrontatie. De ander is anders dan ik.

„Dan lijkt het alsof we volledig grip hebben op wat ons tot onszelf maakt, maar daar zet ik vraagtekens bij. Er is niet eerst een ‘ons’, en vervolgens een ‘ander’. Het is pas door het verschil met de ander dat ik word geconfronteerd met wat mij tot mijzelf maakt. Daar heb ik minder vat op dan vaak wordt gedacht. Een voorbeeld: als Limburger valt je eigen accent pas in een niet-Limburgs milieu op. Opeens ben je een minderheid. Wat moet je daar nu mee? Het lijkt alsof je er grip op hebt, maar ik merk eerder, door de confrontatie met een ander, dat het mij in de greep heeft. De fout die in het Nederlandse debat vaak wordt gemaakt, is de problematiek van het anders zijn te definiëren als louter een probleem van de ander. Is dat wel zo? Bezitten wij onze eigenheid wel, of is het eerder zo dat zij ons bezet houdt?”

Visker werkt deze basisgedachte op veel manieren uit. Scheffer zet andere accenten in als hij kijkt naar de manier waarop mensen met elkaar omgaan in de stad.

„Mijn uitgangspunt is meer historisch en sociologisch. Steden zijn het product van migratiebewegingen, vaak vanuit het platteland, in het kielzog van de industrialisering. Een stad is een concentratie van mensen met zeer uiteenlopende achtergronden, en dus altijd een leerschool in de omgang met vreemden. Dan kom je bij wat voor mij de grote vraag is: hoe kan de openheid van de stad worden onderhouden? Hoe houden we dat vol, omgaan met het vreemde? Wat zijn de minimale voorwaarden daarvoor, en hoe ontwikkelen en bestendigen wij het vermogen om in die steden met al die verschillen om te gaan? De gemeenschappelijke horizon moet een open samenleving zijn die maximale ruimte biedt aan mensen met zeer uiteenlopende levensstijlen en geloven, maar waar wel bepaalde vrijheden worden gedeeld. Als we dat niet onderhouden en expliciteren, zou die vrijheid wel eens kunnen verongelukken. We hebben ons jarenlang onkwetsbaar gevoeld. Gedacht dat het vanzelf zou gaan, dat onze vrijheden, onze verdraagzaamheid zich als vanzelf zou bestendigen. Nu zien we dat het veel kwetsbaarder is. Daarom: je moet niet te veel stil blijven staan bij die eigenheid en dat anders zijn. Mensen die zich verplaatsen, veranderen – en ook de samenleving die door omvangrijke migratie worden geraakt. Het idee van integratie met behoud van eigen identiteit beschrijft de werkelijkheid niet. Immigratie is een uitnodiging tot zelfonderzoek voor degene die zich verplaatst, en voor de mensen die er al waren.”

Zelfonderzoek? Het past niet in de idee van Visker dat een persoon „een myriade van identiteiten” is. En, nog belangrijker: dat je niet altijd je bewust bent van wie je bent – de Limburger die zijn Limburger-zijn pas ontdekt als hij buiten de provincie komt.

Vanuit die gedachte komt Visker ook tot een ander beeld van de publieke ruimte. „De publieke ruimte wordt over het algemeen gezien als een plaats waar iedereen zoveel mogelijk zichzelf kan zijn. Waar onze vrijheden zo weinig mogelijk worden beknot. Ik denk dat we naar een andere opvatting van publieke ruimte moeten zoeken, naar een nieuw ethos ervan, een waarin de verschillen tussen mensen op een bepaalde manier worden opgevangen.”

De vrijheid van meningsuiting en het debat over hoofddoekjes blijken mooie thema’s om het debat concreter te maken.

Visker: „Wat bedoelen we met vrijheid van meningsuiting? Is dat: ik heb een privémening en die wil ik kwijt in de publieke ruimte? Vaak wordt het zo opgevat. Daarbij wordt van anderen een soort vermogen verwacht onszelf te relativeren. Wat je privé belangrijk vindt, waar je aan hecht, wat in de ruime zin van het woord heilig is voor iemand, dat moet je in de publieke ruimte tussen haakjes kunnen zetten. Een religieuze overtuiging, bijvoorbeeld. Dat is ruwweg de liberale opvatting. Er zit een bepaald idee van vrijheid achter. Ik zou willen pleiten voor een andere traditie, die zegt: je hebt nog geen vrije mening. Je komt pas daartoe in de interactie met anderen. Dan pas weet je waar je staat. Je komt pas tot een vrije mening binnen de openbaarheid.”

Scheffer: „Het vermogen om in de stad met elkaar te verkeren betekent een zekere zelfrelativering. Het is een oefening in het omgaan met zeer verschillende godsdiensten, zeer verschillende levensstijlen. Zeker, waar aan de grens van het heilige wordt geraakt, is de verleiding om te verabsoluteren erg groot en is zelfrelativering moeilijk. Maar toch is het nodig. Als ik in een moskee kom, zeg ik tegen de imam: ik verdedig uw vrijheid om uw geloof te kunnen praktiseren, op voorwaarde dat u mijn vrijheid om uw geloof te kritiseren wilt verdedigen. Die wederkerigheid moet tot stand komen.”

Scheffer noemt de plannen voor de Westermoskee in Amsterdam, die inmiddels zijn afgeblazen na een conflict tussen woningcorporatie Het Oosten en de Turkse organisatie Milli Görüs, en de arrestatie van oud-directeur van de Westermoskee Üzeyir Kabaktepe op verdenking van fraude, als een voorbeeld. „De komst van een moskee betekent dat men een verhouding moet vinden tot de bestaande stedelijke ruimte. Er is in het ontwerp gekozen voor integratie in de bouwstijlen van de stedelijke ruimte waarin die moskee zou komen. De keuze voor zo’n oplossing in plaats van voor een traditionele moskee roept onmiskenbaar ook vragen op voor degenen die hun geloof in een moskee willen praktiseren. Kunnen ze de verleiding weerstaan om geloofsvrijheid te verabsoluteren? Kunnen ze begrijpen dat het praktiseren van hun geloof, als minderheid in een open samenleving, te midden van andere gelovigen en ongelovigen, nieuwe vragen oproept? Dat is een voortdurende oefening, een beschavingsideaal dat met vallen en opstaan moet worden bereikt. Vandaar mijn nadruk op onderhoud. Leven in een stad is een continue oefening, en vraagt in die zin veel meer activiteit dan leven in een uniforme omgeving.”

Visker: „Scheffer gaat ervan uit dat we het vermogen hebben onszelf te relativeren en dat we dat moeten ontwikkelen. Eigenlijk vind ik net het omgekeerde. Eigenheid confronteert je met een anders zijn aan jezelf. Neem multiculturaliteit, een beladen term. Het pluralisme daarvan is niet alleen een veelheid buiten mij, maar confronteert me ook met de vraag of ik grip heb op wie ik zelf ben. De breuk is al binnen mezelf. Ik ben bijvoorbeeld moslim – dat is me gegeven, daar zit ik aan vast. Ik word ook aangesproken op mijn moslim-zijn, alsof ik er volledig grip op zou hebben. Die confrontatie brengt me in een ongemakkelijke situatie, waar ik niet uitraak door zelfreflectie. Ik kan in mijn eentje niet uitvogelen wat het is om moslim te zijn. Dat ongemak moet worden opgevangen in de publieke ruimte.”

Zo komen we op de hoofddoekjes. Visker: „Een hoofddoek wordt gezien als een bewust gekozen signaal: in de publieke ruimte laat je zien wat privé je overtuiging is. Veel mensen zien een hoofddoek als een teken van verschillend zijn, of van onderdrukking. Je kunt een hoofddoek ook anders zien. Als een symbool.”

Het is voor Visker een essentieel onderscheid. Teken of symbool. Een teken is een statement. Een bewust gekozen uiting in de publieke sfeer. En een symbool heeft voor Visker, anders misschien dan in het dagelijkse taalgebruik, een veel minder nadrukkelijke functie.

Visker: „Een hoofddoekje is een symbool van een geloofsovertuiging, iets wat het je mogelijk maakt om je niet heel de tijd religieus te gedragen. Zoals een rouwband, toen dat nog een sociaal herkenbaar symbool was. Door het feit dat je een rouwband draagt, laat je zien dat je in de rouw bent, zonder dat je je heel de tijd verdrietig hoeft te voelen. Als je een rouwband als een teken zou zien in plaats van als een symbool, zou je je de hele tijd verdrietig moeten voelen en zou het hypocriet zijn er een te dragen als dat niet zo is. Hetzelfde geldt voor een hoofddoek. Dat symbool neemt de religieuze bewogenheid van je over, en daarom hoef je er niet de hele tijd aan te denken.”

„Daarom moet je er precies andersom mee omgaan dan vaak gebeurt. Als overheden vinden dat ze de hoofddoekjes uit de publieke sfeer moeten bannen omdat anders de private onderdrukking wordt voortgezet in de publieke sfeer, kom je er niet uit. Het hoofddoekje is juist een publiek symbool voor datgene waar je privé niet uitkomt. De publieke ruimte zou ontlastend moeten werken. Je wakkert fundamentalisme aan door hoofddoekjes te verbieden, want dan stuur je mensen rechtstreeks terug naar de bron van hun religieuze aangegrepenheid. Daar komen ze op zichzelf niet uit, met als gevolg zelftherapie: men gaat zichzelf en zijn eigenschappen – religie, maar ook ras – als superieur beschouwen aan anderen.”

Scheffer: „Hier hebben we een fundamenteel punt van verschil. De Franse islamdeskundige Olivier Roy heeft de condities van migratie onderzocht. Nu is de unieke situatie ontstaan dat de islam zich opnieuw moet uitvinden in een seculiere liberale samenleving. Het geloof is niet meer ingebed in een vanzelfsprekende maatschappelijke en culturele context. Want geloof moet zichzelf in deze nieuwe omstandigheden opnieuw vorm geven. Dat is in alle grote steden van West-Europa gaande.

„Ik heb helemaal geen zin te treden in het individuele motief van iemand die een hoofddoek draagt. Zij kan een religieuze motivering hebben, het kan een politiek statement zijn, van alles. Waar het mij om gaat is dat steden worden geconfronteerd met mensen die expliciet religieuze symbolen hanteren. Daar moeten we een omgangsvorm mee vinden. Niets zegt me dat die expressie, hoe je die verder ook waardeert, in een open samenleving moet worden uitgebannen uit de publieke ruimte. Integendeel. Een open samenleving heeft het vermogen om te gaan met iets wat je vreemd is. Maar vervolgens komt de specifiekere vraag: zijn er functies waar mensen een neutrale overheid vertegenwoordigen en waarbij je zegt, daarbij is het kenbaar maken van politieke, religieuze of seksuele voorkeuren in strijd met de uitoefening van die functie. Ik denk dat de oplossing vrij simpel is: overal waar met een uniform uniformiteit is nagestreefd zou dat ook het ontbreken van individuele expressie moeten betekenen. Het gaat om functies die te maken hebben met het geweldsmonopolie van de overheid in brede zin: de rechterlijke macht, politie, leger.”

Visker: „Het is opvallend dat men er in Vlaanderen nu ineens over struikelt dat in de rechtbank naast het portret van de koning en koningin een kruisbeeld hangt. Ineens vindt men dat onverdraagzaam. Maar voor mij is het feit dat daar een kruisbeeld hangt, of dat de rechter voor mijn part een tulband draagt, geen teken van vooringenomenheid. De publieke ruimte doet juist precies wat ik wil dat zij doet, namelijk verschillen lokaliseren, ontlasten.”

Scheffer: „Dan kun je elk uniform wel afschaffen. Terwijl in een bepaalde functionele omgeving een uniform wel belangrijk is, om onderscheid te maken tussen overheid en burger. De relativering van het belang daarvan heeft ertoe geleid dat politie-agenten steeds meer worden behandeld als medeburgers, dus al te vaak ook grof. In iemands publieke functioneren namens de overheid hoeven niet voortdurend private overtuigen tot gelding te worden gebracht. Daarom ben ik bijvoorbeeld ook tegen de weigerambtenaar die geen homoseksuelen wil huwen.”

Visker: „Een uniform kan toch een beetje ruimte laten voor diversiteit. Daarmee maak je bepaalde functies toegankelijk voor degenen die werkelijk hechten aan zo’n symbool. Is dat een aantasting van de neutraliteit van de overheid? Leidt dit tot partijdigheid? Waarom zou iemand die aan een loket op de een of andere manier een teken van zijn verschil draagt, mij vooringenomen behandelen? Als ik hem daarop betrap, protesteer ik wel. Als iemand in overheidsdienst een hoofddoek draagt, of een keppeltje, zie ik dat niet als een teken of als vooringenomenheid, maar als een onderdeel van de structurerende werking van de publieke ruimte, die mensen niet vraagt op te geven wat voor hen heilig is.”

Scheffer: „Maar er zijn in een samenleving een paar neutrale ruimtes nodig – bijvoorbeeld waar recht wordt gesproken – die niet in het teken staan van een particulier geloof. Daarbuiten zie ik geen enkele reden om de keuzes die individuen maken in hun religie en de uitdrukking die ze daarin willen geven in de publieke ruimte, verder te reguleren. Integendeel. Dat vraagt aanpassingsvermogen van een samenleving die ineens wordt geconfronteerd met religiositeit, en het stelt ook eisen aan de islam, die zich moet heruitvinden in de praktische omgang met dit soort vraagstukken. In elke moskee is dit debat gaande. Een tijdje geleden hield een imam een toespraak in een moskee over de vraag of een meisje alleen naar de bioscoop mocht. Volgens hem kon dat niet, of alleen in heel specifieke omstandigheden. Op de eerste rij zaten een paar meisjes, stevig in de hoofddoek. Een van hen stak haar vinger op en zei: ‘Weet u wel dat ik over een half jaar in de rechten afstudeer en over een jaar als advocaat werkt, en denkt u dan dat u mij kunt vertellen dat ik niet alleen naar de bioscoop mag gaan? Waar bemoeit u zich mee?’ De hele moskee barstte in lachen uit. Dat is de realiteit. Allerlei rituelen en traditionele geloofsvoorstellingen worden heroverwogen. Dat is de individualisering, het zich individueel toe-eigenen van het geloof.”

Aanpassen. Verdraagzaamheid. Zoeken naar wat er is aan gemeenschappelijkheid om samen te kunnen leven. Dat zijn de bouwstenen voor Scheffer. Maar Visker zoekt naar een ander „ethos” van de publieke ruimte.

„Het moet een plaats zijn die ruimte laat om anders te zijn, op zo’n manier dat we daar niet voortdurend over hoeven te struikelen. Die opvatting van publieke ruimte maakt het mogelijk dat verschillen voor degene die de drager daarvan is, hem niet voortdurend preoccuperen, dat hij daar niet voortdurend mee zit, zodat er een goede onverschilligheid ten aanzien van zijn eigen verschil ontstaat: hij weet dat zijn verschil er mag zijn, het is zichtbaar aanwezig in de publieke ruimte, en daardoor hoeft hij er niet voortdurend mee bezig te zijn. Het maakt een heel verschil wanneer ik zeg: ik ben wie ik ben en ik wens mij in de publieke ruimte te manifesteren zoals ik ben, versus: ik zit met een verschil, iets heeft mij in de greep – een religie, bijvoorbeeld. Ik kom daar bij mezelf niet uit en ik verlang van de publieke ruimte dat ik dat verschil als het ware buiten me kan plaatsen. De publieke ruimte moet verschillen ontlasten. Daarom houd ik niet van de term gedeeld burgerschap. Er wordt niet altijd gedeeld. Er is een meerderheid die een bepaalde opvatting heeft van de publieke ruimte. Als die dan wrijving heeft met minderheden, ontstaat de neiging om dat exclusief te wijten aan het anders-zijn van hen.”

Scheffer: „Als we voortdurend de nadruk leggen op het begrijpen van verdeeldheid, miskennen we wat er aan gemeenschappelijkheid nodig is om die verdeeldheid op een vreedzame manier te hanteren.”

Visker: „We moeten oppassen dat we die gemeenschappelijkheid niet verwarren met homogeniteit. Natuurlijk, als er slechts homogene groepen zijn die volkomen langs elkaar leven, is er ook geen publieke ruimte. De filosoof Hannah Arendt heeft voor de publieke ruimte het beeld gebruikt van de tafel. Die voorkomt dat mensen over elkaar heen vallen, die laat verdeeldheid toe op een manier die leefbaar blijft. Het rond de tafel zitten wil niet zeggen dat je tot één mening komt, maar laat toe dat meningen worden uitgewisseld. De publieke ruimte moet verschillen accommoderen, ontlasten.”

Maar, zegt Scheffer, de publieke ruimte vraagt ook onderhoud. Anders raakt het idee van de stad als vrijplaats uitgewoond. Dat betekent bijvoorbeeld: historische verwijzingen, duidelijk maken wat de historische verwijzing is van de rechten en plichten binnen een gemeenschap. Of: voorkomen dat de publieke ruimte verloedert door los om te springen met rechtshandhaving en allerlei no-go-areas te laten ontstaan. Het betekent ook: nieuwkomers opnemen in het verhaal dat de stad over zichzelf vertelt. Schrijvers als Fouad Laroui of Kader Abdollah uitnodigen te vertellen hoe zij zich verhouden tot 4 mei. Scheffer: „Iemand zei eens tegen mij, je moet Turkse kinderen niet lastigvallen met de Duitse bezetting, want dat is hun probleem niet. Maar daarmee ontzeg je die kinderen de toegang tot een collectieve herinnering, en daarmee ook de mogelijkheid om zich die collectieve herinnering toe te eigenen en die te veranderen. Dan ontstaan er nieuwe verbindingen.”

Op dit punt gaat Visker een heel eind mee. „De publieke ruimte is meer dan de expressie van de individuen. Ze is ook ouder en ze duurt langer dan jezelf. In de publieke ruimte hoor je je te bekommeren om iets dat je eigenbelang overstijgt. Het gaat om het gemene belang.”

Scheffer: „Dat is toch ook een voorbeeld van het vermogen tot zelfrelativering?”

Visker: „Ik noem dat anders. Een ethos. Ik houd niet zo van ‘vermogen’, van de ironiserende humor van zelfrelativering.”

Scheffer: „Ik bedoel zelfrelativering absoluut niet langs de lijnen van ironie. Ironie is geen werkelijke zelfrelativering – kijk hoe de Nederlandse elites dit soort vragen voortdurend ontwijken. Met zelfrelativering bedoel ik het vermogen om te gaan met wat vreemd is, om de eigen ideeën niet voortdurend te verabsoluteren als de maatstaf voor alles.”

Aan het einde van het tweeëneenhalf uur durende gesprek gaat het over respect. Wat betekent dat, respect hebben voor de ander?

Visker: „Ruimte laten voor verschillen in de publieke ruimte. En dan niet als een uiting van individuen, maar omdat het verschil er mag zijn.”

Scheffer: „Ik ga dadelijk naar een debat met Marokkaanse en Turkse jongeren. Zo’n discussie gaat vaak over discriminatie op de arbeidsmarkt. Daar zijn ze terecht boos over. Als ik dan vraag waarom, zeggen ze: we willen gelijk worden behandeld. Oké, zeg ik dan, het gelijkheidsideaal spreekt je aan. Vind je dan niet dat die moet gelden voor gelovigen én ongelovigen? Dat ook vrouwen zich hierop moeten kunnen beroepen? Als je je beroept op de norm van gelijke behandeling en daar de samenleving terecht mee confronteert, sta je dan ook open dat de samenleving jou daarmee confronteert op voor jou minder gelukkige momenten? Die wederkerigheid tussen mensen, dat is respect.”

Dit gesprek is samengevat door Marc Leijendekker, met medewerking van Leon Heuts.

Paul Scheffer gaat in debat met Bas Heijne tijdens de Nacht van de Filosofie in Amsterdam. Rudi Visker spreekt op zowel de Nacht van de Filosofie, als de Dag van de Filosofie in Tilburg. Zie pag. 14-15