Het stadion

Paul Sollie, theoloog en sportethicus Europa, Nederland, Utrecht, 14-03-2008 Universiteit Utrecht, Ethiek Instituut. Drs.Paul Sollie, filosoof, AIO en Junior universitair docent. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Een stad is geen stad zonder een theater, een kroeg en een kerk. „En precies die drie functies heeft een stadion ook”, zegt theoloog en sportethicus Paul Sollie (32), terwijl hij langs het Stadion Galgenwaard in zijn woonplaats Utrecht slentert. „Het stadion is eigenlijk de spiegel van een stad.”

Welke drie functies van het stadion doelt Sollie op? Allereerst natuurlijk de functie van vermaak. „De ludieke functie” noemt Sollie dat – van het Latijnse ‘ludere’, wat ‘spelen’ betekent. „Mensen komen in een stadion om spel en strijd te zien. Door mee te leven met de spelers, kunnen ze hun agressie kwijt. Het morele maatpak van de samenleving wordt in een stadion dan ook losser gedragen; hier gelden andere regels dan in het dagelijkse leven.”

Dat is volgens Sollie vooral goed te zien in het voetbal; er wordt gescholden en geschreeuwd, zowel door spelers als door het publiek, op een manier zoals dat in het maatschappelijk verkeer nooit getolereerd zou worden. „Maar dat hoort erbij. Zoals de historicus Johan Huizinga in zijn boek Homo Ludens zegt: ‘Het spel is een tijdelijke wereld binnen de gewone’.”

Maar hoe zit het dan met hooligans, die elkaar opzoeken na de wedstrijd, of treincoupés slopen op weg ernaar toe? Hun gedrag wordt toch niet getolereerd? „Dat komt”, zegt Sollie, „omdat zij hun agressie buiten het stadion etaleren. Zij breken daarmee de regels van het spel.”

Niet dat het stadion alleen een broedplaats voor agressie is, benadrukt Sollie. Het stadion heeft ook, en zelfs bij uitstek, een ‘sociale’ functie: alle soorten mensen komen er samen, ongeacht sociaal-economische klasse of status. „Net als in een kroeg, vindt in een stadion een enorme sociale integratie plaats. Statuur telt er niet – in een stadion wordt discriminatie actief uitgebannen.”

Daarom hoort een stadion eigenlijk ook midden in een stad te staan, denkt Sollie. Als ware het van iedereen. „Daar is het misgegaan met de Amsterdam Arena. De Meer stond midden in een woonwijk; het was publiek bezit. De Arena is buiten de stad geplaatst en daarmee een beetje van de supporters ‘afgepakt’.”

Rest nog de derde functie: de kerk. „Een stadion heeft veel weg van een religieus huis”, zegt Sollie. „Kijk maar hoe mensen in lange rijen naar een voetbalwedstrijd gaan. Dat lijkt net een processie.”

En niet voor niets wordt het Britse Wembley-stadion ‘heilige grond’ genoemd. Daar hebben mensen bijna-goddelijke ervaringen gedeeld, zoals in 1968, toen Engeland wereldkampioen werd. Maar religieuze terminologie is de voetbalwereld ook anno 2008 niet vreemd. Sollie denk onmiddellijk aan Johan Cruijff, die begin dit jaar nog als ‘de Verlosser’ door zijn oude club Ajax werd onthaald. „En zijn initialen zijn ook nog eens J.C.”

In de verte verschijnen al de eerste supporters van FC Utrecht, op weg naar de Galgenwaard. Zij hebben de goden die dag succesvol aangeroepen: hun club won met 3-1 van koploper PSV.

Opgetekend door Rob Wijnberg, foto Evelyne Jacq

    • Opgetekend Door Rob Wijnberg