‘Het liefst zou ik altijd doorkopen, nu nog’

‘We gingen nooit met vakantie, al het geld was voor de kunst’ Foto Sake Elzinga Nederland - Grijpskerk - ( Groningen ) - 20-03-2008 Jan Wiersma, kunstverzamelaar die zijn grote verzameling binnenkort bij Christies laat veilen. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

‘Mijn hele leven heb ik in hetzelfde huis in Grijpskerk gewoond, maar een paar weken geleden ben ik met mijn vrouw verhuisd naar een bungalow. In het oude huis, middenin het dorp, had mijn vader een kapperszaak met fotowinkel. Er waren vier kinderen, ik was de derde. Toen de oorlog uitbrak was ik zes jaar. Eerst vond ik het prachtig, die Duitse legerauto’s en al die soldaten in hun mooie pakken. Mijn vader moest in de oorlog duizenden pasfoto’s maken voor persoonsbewijzen en dat deed hij ook voor onderduikers. Als kind wist ik dat ik daarover niet mocht praten, omdat het link was. Na de lagere school, die toen nog acht klassen had, kwam ik bij mijn vader in de zaak. Hij wilde niet dat ik ambtenaar werd en hij zei: ‘politie-agenten verdienen niets, dus word jij maar kapper’. Ik haalde het parfumeriediploma, het middenstandsdiploma, twee kappersdiploma’s en – omdat we ook tabak verkochten – het tabaksdiploma. In 1958 ben ik getrouwd met Lies en heb ik de zaak van mijn vader overgenomen. Een van mijn broers was hier in het dorp intussen ook een kapperszaak begonnen, hij deed de dames, en ik deed parfumerie, heren en tabak. In de hele omgeving van Grijpskerk zat geen herenkapper meer, dus we hadden het smoordruk. Het ging goed, ook door de steun van mijn vrouw die altijd in de winkel stond.

Een kapper komt met allerlei mensen in aanraking. Als ze in de stoel zitten, luchten ze hun hart. Ja, er waren veel mensen die bij mij hun hart uitstortten. Dan zoek je wat woorden om hun moeilijkheden te verlichten. Ik had wel plezier in het kappersvak, maar ik zou er niet voor hebben gekozen. Ik heb een paar keer een inzinking gehad, dat ik depressief werd. Maar ik moest door, we hadden drie kinderen, en de dokter zei: als je even kunt, houd het vol. Ik heb de zaak gedreven tot 1984, toen kon ik een baan krijgen als beheerder van de sporthal in Grijpskerk. Zo kon ik nog wat pensioen opbouwen, want dat had je als winkelier niet. Na twaalf jaar bij de sporthal ben ik met pensioen gegaan.

Mijn neef Evert Westra was organist van de Nieuwe Kerk in Groningen en vanaf mijn tiende jaar kreeg ik van hem piano- en orgelles. Hij vond dat ik naar het conservatorium moest. Toen ik 16 was deed ik toelatingsexamen en ik slaagde. Het conservatorium zou mijn vader vijfhonderd gulden in de maand kosten. We waren niet arm, maar mijn vader had muziek niet zo in de rekening, zoals ze hier zeggen, hij zag er niets in. Dus het conservatorium ging niet door. Dat was een teleurstelling. Daarom ben ik nu weleens kwaad op de jeugd en denk: jullie kunnen kiezen, pak toch aan.

Overdag stond ik te knippen, maar ’s avonds was ik los, dan musiceerde ik: ik begeleidde koren en gaf concerten. Als organist heb ik overal gespeeld en op mijn veertiende werd ik hier de vaste organist van de Gereformeerde kerk. Ik houd van Bach, en om Bach te kunnen spelen, heb ik een clavecimbel gekocht. In 1980 kocht ik ook een Grotrian-Steinweg vleugel en later een Steinway. Mijn vader vond dat geldverspilling, hij zei: ‘Je kan het ook wel doen op een gewone piano’.

Ik heb een kleinzoon die musicus is, Frans Burghgraef. Hij is 23. Op zijn negentiende studeerde hij cum laude af aan het conservatorium. Hij was hoornist bij het Concertgebouworkest en speelt nu bij de Marinierskapel. Laatst dirigeerde hij een concert met koor, orkest en orgel in de Jacobikerk in Leeuwarden. Ja, toen was ik wel trots.

Lies en ik zijn nu allebei 73. Stel dat je er nog zeven jaar bij krijgt, dan ben je 80 en je weet niet wat je dan lichamelijk nog kunt. Daarom zijn we verhuisd naar deze bungalow. Je moet je verstand gebruiken. Maar hier is geen ruimte voor mijn kunstverzameling. Ik heb 120 schilderijen en dat ik daar nu afstand van moet doen, trek ik me erg aan. Het grootste deel wordt geveild bij Christie’s. Ik ga niet naar die veiling, dat vind ik te pijnlijk.

We hebben een paar schilderijen gehouden, een stadsgezicht van Matthijs Maris, een weidelandschap met molens van J.H. Weissenbruch en nog enkele landschappen. Ach, misschien komt er toch weer wat bij. Als ik getroffen word door een kunstwerk krijg ik een klap en dan moet ik het kopen. Mijn eerste schilderij kocht ik toen ik 15 was, in 1951, bij de zomertentoonstelling van het Larense Hotel Hamdorff: een meisjesportret van Jacob Dooyewaard. Later waren het vooral landschappen die me aangrepen.

Mijn moeder nam me van jongsaf aan mee naar musea. Zij was kunstzinnig en muzikaal. Ze kwam uit een Groningse boerenfamilie. De meisjes uit die families mochten niet werken, ze moesten wachten tot ze aan de man waren. Ja, ze trouwde onder haar stand. Toen ik een jaar of 14 was zag ik in het Groninger Museum de schilderijen van de Haagse School. Dat groen-grijzige van die landschappen maakte diepe indruk op me. Ik heb veel aangekocht van de Hollandse impressionisten, van Anton Mauve, Théophile de Bock, Willem en Jacob Maris, H.W. Mesdag, Jozef Israëls en noem maar op. Omdat het Groningers waren ging ik ook werk verzamelen van De Ploeg, van schilders als Jan Wiegers, Jan van der Zee, Johan Dijkstra en Wobbe Alkema. Als ik rijker was geweest, was ik doorgegaan met de modernen. En ook nu worden er nog mooie dingen gemaakt hoor. Vroeger was ik weg van Willem de Kooning. En Mondriaan vind ik prachtig: zijn ontwikkeling van het impressionisme naar de strakke lijn. Maar Mondriaan kon ik niet betalen. Als de Groningse constructivist Wobbe Alkema, die van meetkundige figuren uitging, net als Mondriaan bij De Stijl had gezeten, was hij ook onbetaalbaar geweest.

Ik was altijd aan het rekenen, want mijn gezin mocht niet lijden onder mijn aankopen. We gingen nooit met vakantie, al het geld was voor de kunst. Lies remde me weleens af, zij was verantwoordelijker dan ik, ik zou het liefst altijd doorkopen. Nu nog. Ik vind het vreselijk dat ik het straks allemaal kwijt ben.

De kapperszaak en de kunst, dat waren twee werelden. Ik moest regelmatig naar kappersdagen en -concoursen om de haarmodes bij te houden. Mijn klanten wisten niet dat ik kunst verzamelde, maar de Groningse schilders wisten het wel en die kwamen graag kijken. Ik heb me altijd goed verdiept in de schilderkunst en bij elk schilderij uit mijn collectie had ik een verhaal.

In het begin vergis je je weleens. De Haagse School-schilder Louis Apol is een gevaarlijke jongen omdat hij veel is nagebootst. Ik kocht een doek van hem voor 1500 gulden, maar het was geen echte Apol. Dat is me later niet meer overkomen.

Ik stond eens bij Christie’s naar een Andreas Schelfhout te kijken, een schilder uit de romantiek. Er stonden twee heren achter me, Freddy Heineken en Henk van Os. Heineken verzamelde veel romantiek en ik denk dat Van Os hem adviseerde. Ik werd niet geadviseerd, ik keek zelf. Ik ken van Os uit Groningen. Je kunt wel overal heenreizen, zoals van Os heeft gedaan, maar je blijft toch een Groninger. Recht door zee, bescheiden, maar ook wat koppig. Kees van Twist, tot voor kort directeur van het Groninger Museum, heb ik ook goed gekend. Hij komt uit Grijpskerk en ik heb hem vroeger vaak geknipt. En directeur Frans Haks was ook een mooie kwast. Hij heeft heel slim de beste schilderijen ingekocht van de Groninger expressionisten en abstracten.

Er zijn veel intellectuelen die geen verstand hebben van kunst, dat is me vaak opgevallen. Kunst is iets bovenmenselijks, een wonder. Kunstenaars zijn extra kinderen van God. Neem Bach. Zijn cantates vervelen nooit en Die Kunst der Fuge is onvoorstelbaar, ’t is net of het wiskunde is.

Ik heb het wel jammer gevonden dat ik een groot deel van de dag stond te knippen. Ik las liever. Toen ik jong was bestudeerde ik de bijbel, ik wilde weten waar de dominee het op de kansel over had. Ik had altijd behoefte aan kennis, ik las over schilderkunst, geschiedenis, of Griekse filosofen. En Sigmund Freud vond ik geweldig. Met zijn psychoanalyse heeft hij heel wat in beweging gezet en toch is het nog een vrij onontgonnen terrein, dat merk je wel als kapper. Een paar jaar geleden dacht ik: nu moet het maar eens afgelopen zijn met het kennis vergaren, ik ga romans lezen. Wolkers, Reve, Siebelink. Nee, daar heb ik geen spijt van.

Kijk, boven de vleugel hangt een schilderij van mijn dochter Ciska. Ze heeft de avondopleiding aan de Groninger academie gedaan. Ze schildert dieren. Deze koe heeft ze voor mij geschilderd. Ik houd van koeien. En de koe is van de Groninger eigenlijk een soort familie, er zijn er hier zoveel. Op dit schilderij spreken vooral de contrasterende kleuren me aan. Die paars-groene lucht.”

De schilderijen worden geveild op 15 april en 5 juni. Inl. www.christies.com

Lien Heyting

    • Lien Heyting