Denkend aan Holland

Sociologen hielpen bij de opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat. Nu nemen ze meer afstand van de eigen samenleving, terwijl snelle veranderingen in Nederland juist vragen om duiding. Dirk Vlasblom

De Nieuwjaarsduik in Scheveningen. Wat in de jaren zestig begon als een stunt van excentrieke enkelingen werd een massaal jaarlijks evenement. foto robert vos Nieuwjaarsduik Scheveningen 1-1-98 Foto Robert Vos reclame Unox badmutsen strand menigte damp folklore Vos, Robert

Bij de halte Woudesteyn loopt de tram leeg. Op dit gewezen landgoed aan de oostelijke zoom van Rotterdam verrijst naast het stadion van Excelsior de hoogbouw van de Erasmus Universiteit. Onder de jonge mensen die op deze heldere, koude ochtend in de richting van de campus stromen, zijn opvallend veel Aziaten. De Rotterdamse universiteit internationaliseert. Ton Bevers, hoogleraar aan de faculteit Historische en Kunstwetenschappen, onderwijst studenten van verschillende nationaliteiten in de cultuursociologie. Zijn werkkamer bevindt zich op de tweede verdieping en voor het interview halen we koffie in de kantine op de begane grond. “Vroeger kwam er een juffrouw langs met een karretje”, zegt de hoogleraar weemoedig. Er is wel meer veranderd sinds hij hier in 1990 neerstreek.

“In de jaren tachtig”, vertelt Bevers, “telde Nederland in verhouding meer sociologen dan enig land ter wereld. Hun thema was de opbouw, de bloei en daarna de dreigende teloorgang van de verzorgingsstaat. Hier in Rotterdam bouwde J.A.A. van Doorn in de jaren zestig een sociale faculteit rond de studie van bestuur en beleid. Beoefening van de sociologie, vond hij, mocht geen vrijblijvende intellectuele activiteit zijn, maar moest bijdragen aan vormgeving van de maatschappij. Sociologen analyseerden maatschappelijke problemen en schreven over onderwerpen waarmee de Nederlandse samenleving bezig was.”

Bevers vindt dat vakgenoten zich tegenwoordig minder mengen in het debat over Nederlandse vraagstukken, omdat ze zich vaker moeten laten zien in internationale fora. En daar is de aandacht voor Nederlandse thema’s beperkt. Bevers is bang dat de sociologie op die manier zijn legitimiteit verliest. Zijn collega’s Godfried Engbersen (Rotterdam) en Nico Wilterdink (Amsterdam) doen sociologisch onderzoek in eigen land. Zij erkennen dat de druk om internationaal te publiceren oploopt, maar vinden dat niet per se ongunstig voor het vak. De studentenaantallen nemen weer toe en volgens Engbersen behoort de Nederlandse sociologie intussen tot de top van Europa. Wel is sinds de jaren tachtig de publieke belangstelling voor de sociologie afgenomen, terwijl de Nederlandse samenleving juist in die periode sterk is veranderd. En dat geldt ook voor de academische wereld.

Bevers: “De laatste tien, vijftien jaar worden er andere eisen gesteld aan sociale wetenschappers. Er wordt door geldschieters en universitaire bestuurders zware druk uitgeoefend om artikelen te publiceren in buitenlandse, vooral Engelstalige tijdschriften, voor een internationaal wetenschappelijk publiek. Door die publicatiedwang is er minder ruimte voor het vrije onderzoek en voor Nederlandse thema’s. Je kunt wel gebruik maken van nationale voorbeelden, als case study of in een internationale vergelijking, maar je kunt bij die tijdschriften niet aankomen met uitsluitend Nederlandse onderwerpen.”

vaktijdschriften

Om die zelfde reden, zegt Bevers, verkeren Nederlandstalige vaktijdschriften in nood. “Het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift en De Sociologische Gids zijn in 2005 gefuseerd tot één blad: Sociologie. Dat was nodig gezien het dalende artikelenaanbod en slinkende abonneebestanden. Omdat er op sociologen zo’n zware druk ligt om internationaal te publiceren, bieden zij geen kopij meer aan bij redacties van Nederlandse tijdschriften. Dat is tijdverspilling, want een Nederlandse publicatie tikt niet aan op je cv.”

Daarmee is de inbreng van sociologen in het Nederlandse publieke debat verminderd, vindt Bevers. “Alleen daar waar nog overheidsbudgetten zijn en een beroep wordt gedaan op sociologen om onderzoek te doen en te adviseren, is die inbreng er. Maar dat gebeurt vooral in instituten die zich toeleggen op contractonderzoek en die schrijven rapporten voor hun opdrachtgevers. Sociologen die aan faculteiten zijn verbonden, houden zich minder bezig met Nederlandse problemen. Zo komt er zoetjesaan een einde aan het huwelijk van de Nederlandse sociologie met de Nederlandse samenleving.”

Godfried Engbersen is hoogleraar algemene sociologie aan dezelfde Erasmus Universiteit, maar aan een andere faculteit: Sociale Wetenschappen. Hij doet al twintig jaar onderzoek naar nieuwe vormen van ongelijkheid en armoede in moderne verzorgingsstaten. Eén van zijn recentste boeken is de door hem geredigeerde bundel Balans en toekomst van de Nederlandse sociologie (2006). Hij heeft net een artikel afgerond voor een Frans tijdschrift over de rol van de sociologie in Nederland.

Engbersen: “Er wordt inderdaad zware druk uitgeoefend in de universitaire wereld om internationaal te publiceren en daarbij te abstraheren van de eigen samenleving. Die institutionele druk is een interessant sociologisch vraagstuk. Je kunt het wetenschapsbedrijf zien als een machtsveld. De norm wordt in toenemende mate bepaald door de natuurwetenschappen, en deels ook door de psychologie en de economie, waar dit al langer het geval is.

“De toekenning van onderzoeksmiddelen is ingewikkelder geworden. Heel lang geleden kreeg je van de eigen universiteit een pot met geld; nu alleen nog zakgeld. Voor financiering van onderzoek moet je je wenden tot NWO. En de beoordelingscommissies van NWO wegen je voorstel af tegen de buitenlandse publicaties die je op je op naam hebt staan. Een andere manier om aan geld te komen is het opdrachtonderzoek. Daar moet je concurreren met gespecialiseerde instituten buiten de universiteit, vaak commerciële instellingen. En dan moet je heel goed oppassen voor je onafhankelijkheid. Het is al met al heel ingewikkeld geworden. De jongere garde staat onder grote druk. Die krijgt te horen: schrijf alsjeblieft geen artikelen in nationale tijdschriften of stukjes in de krant; het gaat om je internationale publicaties.”

De druk om internationaal te publiceren heeft ook heel goede kanten, vindt Engbersen. “Het is deels een reactie op de sterke beleidsoriëntatie die het vak in Nederland lang heeft gehad. Zo bezien is dit de emancipatie van de sociologie uit die normatieve wetenschapsbeoefening. Maar – een klassiek sociologisch thema – het heeft wel een onbedoeld en pervers neveneffect. Te sterke nadruk op internationaal publiceren kan ertoe leiden dat je met de rug naar je eigen samenleving gaat staan.”

puzzels

Volgens Engbersen hebben fundamenteel en beleidsgeoriënteerd onderzoek elkaar nodig. “Een sociologie die alleen bivakkeert in internationale tijdschriften verliest haar legitimiteit. Dat geldt ook voor een sociologie die té beleidsgericht is en geen fundamenteel onderzoek doet. Aan de ene kant is de socioloog een commentator van de eigen samenleving, die ontwikkelingen duidt en zijn wetenschapsagenda laat beïnvloeden door contemporaine sociale vraagstukken. Tegelijkertijd is theoretische kennis nodig om dingen te verklaren. De sociologie moet zowel gericht zijn op wetenschappelijke puzzels – waarom werken mensen samen; hoe komt civilisatie over meerdere eeuwen tot stand – als uitspraken doen over grote vraagstukken als globalisering, migratie, armoede en geweld.”

Engbersen bestrijdt overigens dat Nederlandse sociologen zich niet meer mengen in het maatschappelijke debat. “Naast grote namen als J.A.A. van Doorn, Abraham de Swaan en Kees Schuyt kom je ook andere mensen regelmatig tegen in de krantenkolommen: Dick Pels, Jan Willen Duyvendak, Paul Schnabel, Gabriël van den Brink, Han Entzinger, en nu ook Willem Schinkel. Deze traditie leeft bij de sociologie meer dan bij andere disciplines. Nog steeds.”

Toch, stelt Engbersen, is de maatschappelijke invloed van de sociologie al een tijdje tanende. “Het sociologische ethos is uit de samenleving verdwenen. Het irritante van de sociologie is dat zij geen concessies doet aan narcisme. En we leven nu eenmaal in een narcistisch tijdperk met grote ego’s. In een geïndividualiseerde samenleving, waarin sterke instituties ontbreken, zijn mensen geneigd het accent te leggen op individuele keuzen en individuele emoties. Als sociologen zeggen dat achter de ruggen van mensen hun keuzen en emoties beïnvloed worden door maatschappelijke factoren, dan hoort men dat niet graag. Wij krijgen ook vaak de schuld van het falende minderhedenbeleid, of van de overbelaste verzorgingsstaat. Het is dan ook sociologisch begrijpelijk dat psychologie in de lift zit. Als je nu naar een boekhandel gaat, is de afdeling sociologie een klein plankje en staan er kasten vol psychologieboeken.”

emancipatie

Toch is dit vreemd. De Nederlandse samenleving is in enkele decennia in bijna alle opzichten veranderd: de bevolkingssamenstelling, de leeftijdsopbouw, de aard van de werkgelegenheid, de inkomensverdeling en de houding tegenover vreemdelingen. Populistische bewegingen steken de kop op en de politieke inspanningen voor emancipatie hebben mogelijk hun langste tijd gehad. Deze metamorfose vraagt om sociologische duiding.

Engbersen: “Dat gebeurt ook. Wat de commissie-Dijsselbloem nu vaststelt, beweren onderwijssociologen allang. Jaap Dronkers, hoogleraar aan het Europees Universitair Instituut in Florence, heeft al eerder gezegd dat die onderwijsvernieuwingen ongelijkheid in de hand werken. Aan de Erasmus Universiteit doen Dick Houtman en Peter Achterberg interessant onderzoek naar culturele veranderingen in Nederland. Zij proberen te verklaren waarom Geert Wilders zoveel aanhang krijgt en laten zien dat de middenklasse linkser is geworden en de arbeidersklasse rechtser. Arbeiders stemmen nu op Wilders en de middenklasse op de SP. Wij hebben in ons onderzoek naar moderne armoede het gekanker, het onbehagen over de komst van migranten bij de onderklasse, onder mensen die zich uitgesloten voelden door de verzorgingsstaat, vrij goed gedocumenteerd. Toegegeven: de Fortuyn-revolte hebben we niet zien aankomen.”

Het is ook ingewikkeld. Een stad als Rotterdam, het onderzoeksterrein van Engbersen en de zijnen, is in drie decennia volkomen van kleur verschoten. “Dat heeft erin gehakt bij groepen in de oude stadswijken, die hun werk zagen verdwijnen, die raakten aangewezen op een uitkering en toch heel lang zijn genegeerd. Daar ontstond ressentiment. Er zijn wel degelijk analyses die dat pogen te verklaren. Het was de kracht van Fortuyn dat hij een brug wist te slaan tussen deze onderklasse en een middenklasse van sociale stijgers. Een groep die allang niet meer stemde, ging tóch stemmen en een groep die het in de jaren tachtig en negentig beter had gekregen, maar zich bedreigd voelde door al die nieuwe invloeden, vluchtte ook in de richting van Fortuyn.”

Volgens de Rotterdamse hoogleraar is het tegelijk een nadeel en een bron van vitaliteit van de sociologie dat haar studieobject voortdurend verandert. “Daarin onderscheiden we ons van de natuurwetenschappen en dat is de reden voor de eeuwige jeugd van onze discipline. De kennis uit de jaren vijftig over migratie, de familie, de staat en de democratie is deels onbruikbaar geworden. Als we het vroeger over de onderklasse hadden, bedoelden we uitkeringstrekkers. Er is intussen een nieuwe groep bijgekomen die zich daar nog onder bevindt: de illegalen. Er zijn steeds meer pendelmigranten die komen en gaan. Dit is een veel heterogener, minder egalitaire samenleving geworden.”

ongelijkheid

Tot diep in de jaren zeventig was het egalitaire ideaal – emancipatie, sociale stijging – springlevend in Nederland. In de jaren tachtig zakte dat élan in en namen de inkomensverschillen toe. Een socioloog die onderzoek doet naar sociale ongelijkheid in Nederland is Nico Wilterdink, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en redacteur van het tijdschrift Sociologie. “Die toenemende ongelijkheid,” zegt hij, “houdt verband met de internationalisering, vooral op economisch gebied. Daardoor zijn de machtsverhoudingen in de samenleving veranderd ten gunste van het bedrijfsleven. Bedrijven zijn mobieler geworden, het kapitaal is mobieler. De Nederlandse economie is daar afhankelijker van geworden en moet er meer rekening mee houden. De onderhandelingspositie van de vakbeweging is verzwakt. Er is een groeiende druk op de verzorgingsstaat. Omdat die de tendens heeft steeds verder uit te breiden, moet er voortdurend worden bezuinigd. Die bezuinigingen zijn een tijdlang gezocht in relatieve verlaging van de uitkeringen. Met dat alles veranderde ook de mentaliteit. In de jaren tachtig is het marktdenken opgekomen, als antwoord op de dreiging van groeiende werkloosheid. Het gevoel bestond dat het bedrijfsleven ruim baan moest krijgen, waardoor carrières in die sfeer meer status kregen.”

Volgens Wilterdink is ongelijkheid maatschappelijk aanvaardbaarder geworden. “Men accepteert nu grotere beloningsverschillen, want door te ondernemen kun je nu eenmaal rijk worden. Uit enquêtes blijkt overigens dat de meeste Nederlanders nog steeds vinden dat de inkomensverschillen te groot zijn. Een meerderheid is ook voor handhaving van de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Maar die meerderheid is kleiner geworden en die verschuiving zie je terug in het politieke debat.”

De Amsterdamse hoogleraar vermoedt een verband tussen die toenemende ongelijkheid en de maatschappelijke onvrede die tot uitbarsting kwam in de Fortuynrevolte. “Als de onvrede zich niet richt tegen het grote bedrijfsleven en de onrechtvaardigheden die dit meebrengt, dan keert die zich tegen vreemdelingen die worden gezien als de bron van alle ellende, banen inpikken of juist parasiteren op de verzorgingsstaat. Als emancipatie-idealen op de achtergrond raken, gaat het onbehagen zich op die groepen richten.”

Er zijn aanwijzingen dat de Nederlandse samenleving zich ontwikkelt tot een meritocratie, een maatschappij die vooral individueel talent honoreert. Engbersen: “Het rapport-Dijsselbloem is één grote kritiek op alle onderwijsvernieuwingen. Toch was de bedoeling daarvan juist om de emancipatie verder door te voeren. Met een averechts resultaat. De vraag is nu of er van dit rapport een conservatieve werking uitgaat en de vraag naar emancipatie verstomt. Er zijn twee nieuwe elementen in het actuele publieke debat. In de eerste plaats ligt er een veel zwaarder accent op eigen verantwoordelijkheid. De Britse publicist Theodore Dalrymple (pseudoniem voor de psychiater Anthony Daniels), die van leer trekt tegen links omdat het burgers niet verantwoordelijk stelt voor hun eigen daden, is ongekend populair. In de tweede plaats is er de erkenning van biosociale verschillen. Er wordt nu vaker gezegd: een bepaalde groep kun je niet opheffen. We zijn op weg naar een meritocratische samenleving en het perverse effect daarvan is dat je mag zeggen: jij bent nu eenmaal dom.”

bestaansrecht

Wilterdink bespeurt de laatste jaren een kentering in de waardering voor het vak: “Van Doorn heeft eens gezegd: de sociologie verliest zijn bestaansrecht in een geïndividualiseerde samenleving. Dat is de vraag. In de jaren tachtig is het aantal sociologiestudenten weliswaar sterk gedaald, maar de belangstelling neemt nu weer toe. (Voor het studiejaar 1999-2000 schreven zich 350 studenten in; in 2004- 2005waren dat er 580.) Dat komt omdat bepaalde maatschappelijke problemen, zoals het integratievraagstuk, zeer in discussie zijn. Bovendien staat het marktdenken weer bloot aan kritiek.”

Ook Engbersen is niet somber: “Dat wij sociologen nu gedwongen worden om het algemene te zien in het specifiek Nederlandse is winst. Een sterk punt is ook het vergelijkende onderzoek dat in Nederland wordt gedaan. Het is een teken van vooruitgang dat jonge Nederlandse sociologen als Frank van Tubergen (Universiteit van Utrecht) regelmatig publiceren in internationale toptijdschriften. Ik ben voorstander van een professionele sociologie die de theorievorming goed bijhoudt, omdat je zo sociale vraagstukken beter kunt doorgronden. Tegelijkertijd is het cruciaal dat de wetenschappelijke agenda wordt beïnvloed door de eigen samenleving; het straatrumoer moet doorklinken in de sociologie. In Rotterdam publiceren we in de internationale tijdschriften, maar we zijn niet bang ook beleidsonderzoek te doen en we nemen ook onze kritische, publieke rol serieus. Dat betekent wel dat je als een jongleur drie ballen in de lucht moet houden, en je laat er wel eens een vallen.”

Slachtoffers zijn de Nederlandstalige tijdschriften. Er zijn er nog twee: Sociologie en Mens & Maatschappij. Engbersen: “Ik denk, eerlijk gezegd, dat twee genoeg is. Maar wil een vakgebied een maatschappelijke rol spelen moeten er wel nationale fora zijn. Ik zie dat mijn collega’s bij Medicijnen dat probleem nu ook hebben. Die publiceren in de jama en The Lancet, maar niet meer in het Tijdschrift voor Geneeskunde. Dat is slecht. De nieuwste kennis, waar elke huisarts en specialist weet van moet hebben, hoort daar in te staan. En zoiets geldt ook voor sociologische inzichten over de eigen maatschappij. Voor de jonge generatie blijft het cruciaal ook in het Nederlands te schrijven. Als de machtigen in het wetenschappelijke veld, de natuurwetenschappen, straks beslissen dat schrijven in de eigen taal wél belangrijk is, dan zal je zien dat ook ons wordt voorgehouden dat we dit weer moeten doen.”

Dat Abraham de Swaan dit jaar de P.C. Hooftprijs krijgt, vindt Engbersen een compliment voor het vakgebied. “Sommigen zullen zeggen: zie je wel, hij heeft nooit wetenschap bedreven. Maar dit laat de blijvende betekenis zien van een publieke sociologie.”