De kleine wijzer

Voor filosofen is de tijd een tijdloos thema. Voor iedereen is de tijd dit weekeinde tijdverspilling. Honderden miljoenen mensen ten noorden van de kreeftskeerkring en ten zuiden van de steenbokskeerkring zijn morgen weer bezig hun klokken, horloges, wekkerradio’s, videorecorders en andere tijdgebonden apparatuur een uur vooruit te zetten. En over zeven maanden moet alles weer worden teruggedraaid.

Het lijkt intussen de normaalste zaak van de wereld. Maar dat is het niet. Als al deze miljoenen er niet twee keer per jaar aan worden herinnerd, zouden ze de tijd vergeten en er pas achter komen hoe laat het is als ze hun trein hebben gemist. En dat voorbeeld is niet toevallig gekozen. Tijd en trein zijn namelijk nauw verbonden. Toen er in Nederland nog geen spoorwegen waren, werd het uur van de dag op kerktorens bepaald door de plaatselijke zonnewijzer. Het gevolg was dat het in Arnhem iets later was dan in Haarlem.

Met de trein in aantocht, was dat systeem niet meer vol te houden. Voor een ordentelijke dienstregeling was het noodzakelijk dat ten minste de grote wijzer van de klok werd gelijkgezet. Daarom werd in 1837 één tijdsregime ingevoerd, afgeleid van de stand van de zon in Amsterdam. Later werd het Amsterdamse uur weer afgestemd op dat van Greenwich, zij het alleen voor het spoor en de posterijen. Het duurde een eeuw voordat de de tijd overal hetzelfde was. Pas in 1909 werd de Amsterdamse tijd voor heel Nederland bij wet opgelegd. In 1940 werd Nederland, gedwongen door de Duitse bezetter, aangesloten op de Midden-Europese tijd.

Dat het daarbij is gebleven, is overigens ook minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Nog maar twintig jaar geleden was de dienstregeling van de luchtvaartmaatschappij Aeroflot veel drastischer geüniformeerd. Hoewel er tussen Kaliningrad en Kolyma maar liefst 11 tijdzones waren, werden in de nadagen van de Sovjet-Unie alle vertrek- en aankomsttijden uitgedrukt in één uur: dat van Moskou.

Dat was gekkigheid. Maar het betekent niet dat de zomertijd zoals wij die kennen van de weeromstuit volstrekt normaal is. Veel energiebesparende argumenten, die in 1977 bij de recentste invoering van de zomertijd werden gebruikt, hebben inmiddels geen of minder betekenis. Wat er zomers ’s avonds aan elektriciteit voor verlichting wordt bezuinigd, gaat in de rijkere landen immers weer verloren aan extra airconditioning voor kantoren, of voor ijskasten om de rosé koel te houden. Wat een kwart eeuw geleden in de winter ’s ochtends kon worden bespaard, is verdampt omdat, zeker in Nederland, automobilisten nu vóór de ochtendspits naar hun werk gaan. Geheel arbeidsloze uren zijn ook om andere, bedrijfseconomische, redenen steeds meer beperkt tot de nacht. Een uurtje meer zon in de zomer heeft daarop geen invloed, zoals ook de hanen er niet minder om gaan kraaien.

Het klinkt wat overdreven, en het is ook geen zaak van leven en dood, maar in feite zijn de aparte tijden voor winter en zomer achterhaald. Het zijn overblijfsels uit een tijd dat de overheid de dagindeling van burgers nog dacht te moeten sturen. Waarom niet het hele jaar zomertijd? Niet omdat deze krant dan langer bij daglicht kan worden gelezen, maar omdat de avond dan wat lichter blijft zonder dat de matineuze mens er slechter van wordt. En het scheelt ook tijd.