De echte wereld tegenover het echte leven

In de stad zul je eerder over belangrijke kwesties debatteren. Op het platteland vragen moestuin en onkruid om veel aandacht. Maar waar ervaar je nu het beste hoe ‘samenleven’ bedoeld is?

Waterland, het landelijke gebied ten noorden van Amsterdam. Foto Hollandse Hoogte Nederland. Waterland. 17 december 2005 landschap water bebouwing verstedelijking ruimtelijke ordening sloot horizon hollands vergezicht landschap landbouw stad groen flats platteland waterbeheer foto: Herman Wouters Herman Wouters;Hollandse Hoogte

Marjoleine de Vos

Redacteur van NRC Handelsblad. Dichter. Zij woont in Amsterdam en op het Groningse platteland.

Op de televisie zitten programmamaker Harry de Winter en arabist Hans Jansen te ruziën over de beeldvorming rond moslims, over de selectieve verontwaardiging over de voorschriften die godsdiensten aanbieden aangaande de omgang met andersdenkenden, afvalligen, vrouwen et cetera. Ik zit er naar te kijken en vraag me af wanneer ik voor het laatst een moslim gezien heb. Vorige week? In Stad? Of toen ook niet?

Op het platteland, in ieder geval het Noord-Groningse, zijn niet veel moslims te zien. Zo gewoon als het in Amsterdam is dat er een vloed van mensen uit andere landen en streken door de straten stroomt, zo ongebruikelijk is het om in Zeerijp of Loppersum een hoofddoek, een djellaba met mutsje, een zwart gezicht of Arabische klanken te horen. Zo moet je in de winkels ook zoeken naar burghul (alleen in Stad verkrijgbaar) en lamsniertjes heeft de slager nog nooit in het assortiment gehad, al is-ie best bereid ze te bestellen als je die zo nodig moet eten.

Zo’n discussie op de televisie krijgt dan een heel ander karakter. De stemmen van de mannen komen uit een andere wereld die niet per se heel ver weg is, maar ook niet achter de voordeur ligt. Daar ligt iets totaal anders, grote ruimte met waaiende wind, boeren op trekkers, grote landbouwmachines, schapen, koeien, mest, modder, seizoenen die je om de oren ranselen. De zorg is eerder of de zieke kastanje het zal houden, dan of je bewust of onbewust stigmatiseert. Er valt niet zo veel te stigmatiseren. Dat is allemaal theorie, hier.

Dat is wel gek.

Word je vanzelf wereldvreemd op het platteland? Of is eigen ervaring helemaal niet nodig voor dit soort gesprekken en onderwerpen. Zijn krant en televisie voldoende?

Het is natuurlijk om te beginnen al niet zo dat wie op het platteland woont nóóit in de stad komt en geen weet heeft van wat zich daar afspeelt. En de stad, – het maakt per stad nogal uit wáár in die stad je je precies je dagelijks bevindt, wil je eigen ervaring hebben met zoiets als ‘integratieproblematiek’, toch al jaren hét onderwerp bij verkiezingen, in debatten en praatprogramma’s. De meesten van ons spreken redelijk theoretisch over die dingen – niet als ze leraar zijn aan een door ons zo mallotig ‘zwarte school’ genoemde onderwijsinstelling, of arts of verpleegkundige in een groot ziekenhuis, niet als ze politieagent zijn – maar wel als ze, zoals ik de hele Amsterdamse straat waar ik altijd woonde elke ochtend zag doen: dagelijks vroeg in de auto stappen en naar hun bedrijf, universiteit, laboratorium, boekhandel of organisatiebureau rijden en hun boodschappen doen bij de grote Albert Heijn onder het Museumplein, waar het contact met immigranten voornamelijk bestaat uit het afrekenen met één van de Afrikaanse, Turkse, of Marokkaanse meisjes die achter de kassa zitten. Op de Albert Cuypmarkt lopen natuurlijk veel immigranten, en dat vinden wij uit Amsterdam-Zuid ‘alleen maar leuk’ want wij eten ook graag iets met koriander erover en de Turkse slager heeft heerlijk lamsvlees en alle soorten gedroogde bonen en ze zijn er ook hartstikke aardig. Net als wij. Pas thuis, voor de televisie of met de krant, storten we ons weer in het integratiedebat.

Net zoals ze dat op het platteland doen.

Stad en platteland schuiven steeds dichter naar elkaar toe, lees je vaak. In dit opzicht ook. Natuurlijk is de ervaring van een stadsbewoner anders dan van een plattelandsbewoner. Maar de ervaringen van een bepaald milieu, een bepaalde manier van leven, een bepaald soort werk, zijn allicht overheersender dan van waar je huis toevallig staat. Al valt niet te ontkennen dat dat wat we de ‘echte wereld’ met de ‘echte problemen’ noemen, verder weg is op het platteland. Behalve als er een asielzoekerscentrum vlakbij is, of er in het dorp tóch een immigrantenfamilie is komen wonen – dan blijkt het meestal allemaal reusachtig mee te vallen, want veel van de problemen zijn stadsproblemen, werkloosheidsproblemen, gettovormingsproblemen.

De echte wereld is verder weg, maar het echte leven is juist weer dichterbij. Waar het in de stad makkelijk is te vergeten dat je omringd bent door voorzieningen, gewoon omdát je er door omringd bent, realiseert men zich op het platteland veel duidelijker dat vuilnis opgehaald moet worden – en heus komt er één keer per twee weken een auto het huisvuil ophalen, en één keer per twee weken het GFT-afval – en dat een dienst ‘groot vuil’ eigenlijk heel luxueus is. Wij inwoners van een grote maar niet rijke plattelandsgemeente moeten onze rare vuilnis – matrassen, kapotte apparaten, verroeste tuinstoelen, kapotte houten planken, alles wat niet in de afvalcontainers past – zelf kilometers verderop naar een vuilstort brengen. Desnoods huren we maar een aanhangwagentje, we zien maar hoe we het doen, de gemeente doet het niet. Onwennig, voor een gepamperde stadsbewoner. Net zo onwennig als de geringe beschutting voor de elementen, de weidsheid van de luchten, het lage tempo in de winkels. De regionale caissières in de dorpssupermarkten wachten netjes tot je je boodschappen in je tas hebt voor ze de volgende klant gaan helpen, ze proberen je niet zo snel mogelijk opzij te schuiven, er heerst geen haasthaasthaast. Ook daar staat de stadsbewoner aanvankelijk ongeduldig met de voet op de vloer te tikken – moet dat zo slóóm? Maar na een paar keer komt zo maar de onverwachte gedachte bij je op dat die halve minuut echt niets uitmaakt, dat het niet vervelend is als je begroet wordt, als iemand nog eens wat tegen je zegt, als de klanten bekend zijn in hún supermarkt bij hún caissières.

Al die praatjes op straat, op de weg, dat groeten, de vele tafeltjes ’s zomers met daarop het overschot aan groenten uit de moestuinen en een jampot om te betalen, de eindeloze aanbiedingen van aardappelen, eieren, tulpenbollen, pompoenen en kerstbomen die je bijna altijd zelf kunt uitzoeken en in het klaarstaande geldkistje kunt afrekenen, de fiets die al maanden tegen het huis staat zonder ooit op slot te zijn geweest – dat voelt allemaal op een bepaalde manier ‘echt’, zoals samenleven bedoeld is. Waar je in de stad de buren van schuin onder na jaren nog steeds niet weet te herkennen, ken je buiten al spoedig het complete dorp. Je denkt ineens aan woorden als ‘zelfvoorzienend’ en dat je dat, tot op zekere hoogte zou kunnen zijn hier: hout uit eigen tuin in eigen kachel, bonen en vlees pekelen voor de winter, fruit van eigen bomen, eigen kippen met eigen eitjes, zelfgemaakte worst, eigen aardappelen, kool, boontjes, sla, bloemen ter versiering uit eigen borders. Heel goedkoop en heel ambachtelijk en heel echt zou je kunnen leven, er zou een helikopter in een naburige elektriciteitsmast kunnen vliegen en dan had je toch gewoon je gerookte ham, je houtkachel, je aardappelen – en je diepvrieskistramp helaas, want zó ouderwets dat je elektriciteitsvrij leeft, kun je en wil je niet zijn. Maar toch, heel dat leven om je heen, van planten en akkers, van seizoenen en hout, van vooruitzien, bewaren, oogsten, dat lijkt heel dichtbij ‘het leven zelf’ te staan. Wat je daar ook precies mee mag bedoelen. Vervreemding is hier niet aan de hand, de eigen verantwoordelijkheid voor hoe je je redt lijkt veel groter. In de stad heb je misschien, door alle gemakken, ook meer het hoofd vrij om over belangrijke kwesties te debatteren, hier vraagt de moestuin, het afdekken tegen hagel en vorst, het wieden van onkruid om de aandacht. Al kun je intussen heus wel een paar wereldproblemen oplossen.

Platteland is vooral een heel ander gevoel dan stad. Een andere beleving. Het maakt uit of je veel buiten bent en weinig mensen ziet. Je wordt daar iemand anders van, maar in welke zin. Dat is de vraag. Er zijn mensen genoeg die er helemaal niet op zitten te wachten om over smalle landwegen hun huis te bereiken in plaats van door gezellig drukke straten, maar als je gevoelig bent voor het roze kleuren van een enorme avondlucht, voor hoe de zon op een paar wolken schijnt of op het groen in de hals van een woerd, voor de brede schuren van de boerderijen en het gekke buitelen van hazen in het voorjaar, dan voel je je alsof je in zekere zin tot jezelf terugkeert door dat wat je ziet, hoort en ruikt.

Goed van vertrouwen zijn, het is heel gewoon en heel gerechtvaardigd. Genieten van het landschap, je eigen omgeving wérkelijk kennen zoals de boer van de boerderij aan het eind van de weg, die van elke steen in en rond zijn boerderij weet te vertellen waarom en sinds wanneer die daar ligt, die nog paden door het land ziet lopen die er al veertig jaar niet meer zijn, je begrijpt waarom het diepje dwars door zijn akker kronkelt nu, maar vroeger niet. Dat is een jaloersmakende manier van thuis zijn in de omgeving. Net als het feit dat die twee mensen van dik in de tachtig gewoon aan het eind van de weg wonen, gemakkelijk te overvallen als iemand dat per se zou willen, maar ze zijn niet bang en ze hebben ook nooit reden gehad om dat wel te zijn.

Totdat het grote dreigende beest dat stad heet dichterbij komt natuurlijk, met bijbehorende armoede, wanhoop, diefachtigheid, wreedheid.

Idyllisch is het niet per se, het is ook gewoon wat het is, met lelijke melkschuren waarin koeien staan die nooit buiten komen, met landbouwmachines zo groot als een klein schooltje die tot diep in de augustusnacht met schijnwerpers aan over een akker ronken, met benauwende sociale controle en oubollige plaatselijke feestjes, met de dichtstbijzijnde bioscoop op drie kwartier gaans en bespottelijk veel autorijden omdat je anders nergens komt.

Het platteland is echt nog heel anders dan de stad, hoeveel kleiner de afstanden ook geworden zijn. De landschapsontwerpers die beweren dat het platteland ‘allang’ niet meer bestaat en dat we ook niet moeten doen alsof er iets is wat de moeite van het behouden waard is, die wonen daar niet. Die kennen niet de vreugde van de sterrennachten in de donkere wereld, de collecte van de muziekvereniging, en de fiets die gewoon blijft staan waar-ie stond, tot je hem zelf wilt gebruiken.

Dat is geen Ot en Sien-wereld van ooit. Het is een maar al te echte wereld. Van nu.