Collectiedilemma’s van een klein museum

Toen het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden een zeldzaam portret kreeg aangeboden, reageerde het enthousiast. Het bleek vals. Waar moet een museum bij schenkingen op letten?

„Moeten wij roomser zijn dan de paus”, verzucht Maarten Raven, conservator van de Egyptische afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO). De afgelopen tijd heeft het Leidse museum laten zien welke ethische vraagstukken opkomen bij het verzamelen door het museum. Mag je iets aannemen als je niet zeker weet of de herkomst legaal is? Het antwoord lijkt simpel. „Maar de realiteit is genuanceerder”, vindt Raven.

Het begon met een telefoontje als Raven vaker krijgt; iemand wil iets bijzonders laten zien, hij vraagt waar ze het hebben gekocht en als ze ‘Egypte’ antwoorden, moet hij ze teleurstellen. Wat zij bijzonder vinden, is gewoon vals. Maar deze keer, mei vorig jaar, liep het anders. Een man meldde dat hij een Fayum-portret wilde laten zien. Raven: „Dan spits je je oren.”

Over de hele wereld zijn ruim negenhonderd van deze mummieportretten uit de eerste tot vierde eeuw na Christus bekend. Het gaat om millimeters dunne plankjes of stukken linnen die op een mummie zijn bevestigd en waarop een realistisch portret is geschilderd. Ze variëren van gecoiffeerde vrouwen met sieraden tot kinderen en jonge, bebaarde mannen die je met grote ogen aankijken.

De Fayum-portretten danken hun naam aan het gebied ongeveer 100 kilometer ten zuidwesten van Caïro waar de meeste zijn gevonden. Europa maakte aan het begin van de zeventiende eeuw kennis met de portretten, toen de Italiaanse ontdekkingsreiziger Pietro delle Valle enkele toevallig opgegraven portretten had opgestuurd. Ze werden populair toen de Weense tapijthandelaar en verzamelaar Theodor Graf in 1887 in Egypte vele portretten wist te verwerven en die in München, Londen, Parijs en Brussel tentoonstelde. Grafrovers of bedoeïenen op zoek naar zout zouden ze hebben gevonden. Sommige portretten zagen er nog zo gaaf uit dat geleerden dachten dat ze vals waren. Hun echtheid werd een jaar later vastgesteld, toen archeoloog William Flinders Petrie bij Hawara in een grafveld uit de Romeinse tijd tientallen mummies met geschilderde portretten ontdekte. Snel daarna raakten de Fayum-portretten verspreid over musea in Europa en Amerika.

Nadat de beller Raven had verteld dat hij zijn portret in een galerie in Den Haag had gekocht, was een afspraak snel gemaakt. Een paar dagen later al stapte een „gedistingeerde man” Ravens kamer binnen. Het Fayum-portret was in plexiglas gemonteerd. Het ging om een jonge man, nog zonder baard, met donker haar, dunne lippen en een langgerekte neus. Het geheel maakte een oude, authentieke indruk. De schildering gemaakt met pigment in bijenwas was niet zo bijzonder als andere portretten, maar vertoonde wel de juiste glans. Het hout leek, afgezien van hier en daar een reparatie, oud genoeg. Ook de achterkant gaf op het eerste gezicht geen reden om te betwijfelen of dit een echt Fayum-portret was.

Raven was dus blij verrast toen de man vertelde dat hij het portret aan het museum wilde schenken. Weliswaar bezit het RMO al enkele Fayum-portretten, maar gezien hun relatieve zeldzaamheid kan er altijd nog wel een bij.

De weken na het bezoek dook Raven in de literatuur. De wetenschappelijke aandacht voor de portretten bleek gering, omdat het gaat om mensen van Griekse afkomst die in een Romeinse provincie woonden, maar vasthielden aan het Egyptische gebruik van mummificatie. Voor Egyptologen, die zich vooral richten op de klassieke faraotijden, zijn ze niet Egyptisch genoeg. Grieken- en Romeinendeskundigen vinden ze te Egyptisch. En Byzantologen veronachtzamen ze omdat ze voor hen te jong zouden zijn.

Maar er was één man die van de Fayum-portretten zijn levenswerk heeft gemaakt. De Duitse professor Klassieke Archeologie Klaus Parlasca (1925) is al sinds 1969 bezig alle bekende portretten in een vierdelig repertorium te beschrijven. Het laatste deel, uit 2003, ontbreekt in de bibliotheek van het RMO. Maar in een van de eerdere delen vond Raven afbeeldingen die sterk op het aangeboden portret leken. Op grond daarvan dateerde hij het op de tweede helft van de 2de eeuw, begin 3de eeuw. „Voor zover ik wist waren de laatste jaren geen nieuwe vindplaatsen van Fayum-portretten ontdekt, dus leek de kans klein dat het portret afkomstig was uit een recente illegale opgraving.”

De restauratrice van het RMO bevestigde dat vermoeden. Bij de restauratie was dezelfde methode gebruikt als waarmee vroeger iconen werden gerestaureerd. Dat kon maar één ding betekenen: het portret was al tientallen jaren in Europa. Tien, vijftien jaar geleden zou die voorkennis misschien genoeg zijn geweest om het geschenk te aanvaarden. Maar tegenwoordig hanteert het museum, met name hoofd collectiebeheer Steph Scholten, strengere eisen. „Idealiter willen we gegevens waaruit blijkt dat het voorwerp al bekend is van vóór 1970, het jaar waarin de Unesco Conventie tegen illegale import en uitvoer van cultureel erfgoed is opgesteld.”

Er zat dus niets anders op dan te proberen het spoor van het portret zo ver mogelijk terug te leiden. De eigenaar vertelde dat hij het in 2006 had gekocht. De Haagse galerie liet weten dat het uit de collectie kwam van een rechtsvoorganger die het in 1979 bij de Temple Gallery in Londen had gekocht. Die galerie reageerde meteen op Scholtens verzoek om meer gegevens. „Ik had een foto meegestuurd en ze zeiden zich het portret vaag te herinneren. Verdere administratie ontbrak, dus hadden ze het waarschijnlijk in consignatie verkocht.”

Navraag bij het Art Loss Register maakte duidelijk dat het portret niet bekend stond als gestolen. Maar voorwerpen die illegaal zijn opgegraven, komen in dat register niet voor. Er bleef nog één mogelijkheid over om het gat tussen 1979 en 1970 te dichten: de expert, de inmiddels 82-jarige Professor Parlasca, vragen of hij het portret kende. Op de brief met foto die het museum aan de professor in Frankfurt stuurde, kwam onlangs het verrassende antwoord; het portret was „leider eine Fälschung”. Zie de bijlage vervalsingen in het laatste deel van zijn repertorium. Het Leidse portret hoort bij een groepje vervalsingen dat in de jaren dertig van de vorige eeuw via de Parijse vestiging van de Armeense kunsthandelaar Dikran Kelekian – volgens Parlasca te goeder trouw – op de markt werd gebracht. Raven heeft intussen deel vier van Parlasca er op nageslagen, en geeft de specialist gelijk. Natuurwetenschappelijk onderzoek zou de uitkomst nog kunnen bevestigen, maar de eigenaar wil het portret terug om te proberen zijn geld terug te krijgen.

Blijft de vraag wat het museum zou hebben besloten als Parlasca zou hebben geantwoord dat het portret echt is, maar dat hij het niet kent. „Vasthouden aan 1970 lijkt makkelijk en helder”, zegt Scholten. „Maar het is ook willekeurig”, vindt Raven. „Egypte verbood de export van oudheden pas in 1983. Maar in 1986 hebben we uit onze opgraving van Sakkara nog een cadeautje meegekregen.”

Raven zou daarom hebben voorgesteld om het portret aan te nemen en er in een vakblad over te publiceren. „Met de belofte er weer afstand van te doen als bewezen wordt dat het Egypte illegaal heeft verlaten.”

Scholten zou in dit geval hebben toegestemd. „Zo verdwijnt het stuk niet in een particuliere collectie. Bovendien is verwerving een taak van een museum. Wat betekent het als wij, met onze beperkte middelen, bij schenkingen heel strikt aan 1970 vasthouden?”

Maar bij aankopen is Scholten strenger, ondervond Raven. „Via een handelaar konden we het topje van een grafstele van faience kopen. Het was van een prins en een collega aan de universiteit kon ook vertellen wie de stele had gemaakt. Hij was heel goedkoop en ik had hem graag willen hebben, maar Steph weigerde omdat over de herkomst te weinig bekend was. Een maand later had de handelaar hem voor het dubbele verkocht aan het British Museum. Dan vloek ik.”