China geeft nu de ‘absoluut correcte’ versie van het nieuws

Al lukt het China niet het rumoer over Tibet te doen verstommen, het verwacht weinig afzeggingen voor de openingsceremonie van de Olympische Spelen.

Met een internationale mediacampagne tegen Westerse vooroordelen over China, tegen verdraaiingen en feitelijke onjuistheden in de Westerse Tibetverslaggeving hebben de Chinese autoriteiten getracht het beeld van een repressieve staat die met scherp schiet op een paar honderd monniken en Tibetaanse jongeren te ontkrachten.

Dat de Chinezen er niet in geslaagd zijn de wereld aan de vooravond van de Olympische Spelen ervan te overtuigen dat er betrekkelijk terughoudend is gereageerd op een reeks onverwachte openbare ordeverstoringen en dat de Han-Chinezen en niet de Tibetanen de belangrijkste slachtoffers zijn, ligt in de eerste plaats aan de krampachtig operende Chinese autoriteiten zelf.

Buitenlandse journalisten werden uit Lhasa geweerd, of nadat hun visum was verlopen weggestuurd, de persreis waarvoor Amerikaanse, Britse, Arabische en Aziatische media deze week waren geselecteerd stond onder curatele. Protesterende monniken die met de journalisten wilden spreken werden weggeleid.

Terwijl de Chinese media van leer trokken tegen de Westerse en Aziatische kranten, websites en tv-stations – er werden inderdaad nogal wat foutjes gemaakt – maakte de censuur in China zelf overuren en dat versterkte de indruk dat er veel te verbergen en dus te manipuleren viel. Die fouten betroffen selectief uitgesneden foto’s, in Nepal genomen foto’s van botsingen tussen monniken en politie die vervolgens in Tibet werden gesitueerd en ander klein journalistiek vuil.

Engelse en Amerikaanse tv-stations werden voortdurend gestoord, de toegang tot websites met items over Tibet werd afgesloten en journalisten werden uit de Tibetaanse gebieden in de Chinese grensprovincies geweerd.

De Chinese versie van de gebeurtenissen is de enige juiste, of, om het communistische jargon te gebruiken, de „absoluut correcte” versie. Wie dat niet voetstoots aanneemt, gunt China het economisch succes en een geslaagd Olympisch sportfestijn niet, is de argwanende gedachtengang.

Voor zover bekend is de herdenking van de Tibetaanse opstand in 1959, die zeer bloedig werd onderdrukt, tot grote verrassing van de Chinese en Tibetaanse autoriteiten op 11 maart overgegaan in plunderingen. Tibetaanse jongeren hadden het daarbij gemunt op winkels en huizen van Han- en vooral islamitische Hui-Chinezen.

Het duurde als gevolg van het feit dat de gouverneur, de Tibetaanse burgemeester en het militair gezag in Peking waren voor het Nationale Volkscongres zeker 24 uur voordat leger en politie in actie kwamen. Pas op 14 en 15 maart werden tanks en met automatische geweren uitgeruste politie- en legereenheden ingezet. Op dat moment waren er al 16 Chinezen, onder wie zeven meisjes gedood. Vanaf dat moment lopen de lezingen sterk uiteen. China zegt niet geschoten te hebben, de Tibetanen in ballingschap beweren dat er vervolgens 140 Tibetanen zijn gedood. Ook werden monniken opgesloten in de kloosters en werden er honderden arrestaties verricht. Vooralsnog kan niet met stelligheid worden gezegd wie gelijk heeft.

Maar duidelijk is dat het structurele gebrek aan openhartigheid en de diepgewortelde angst voor het verlies van de politieke regie het China onmogelijk heeft gemaakt snel openheid van zaken te geven. Pas gisteren werd met zoveel woorden toegegeven dat er niet alleen Han-Chinezen maar ook Tibetanen zijn gedood. Onder hen drie winkeliers die omkwamen in huizen die door Tibetanen in brand gestoken waren.

Het beeld van „de harmonieuze samenleving” in heel China moet koste wat het kost in stand gehouden worden. Daarmee komt van de belofte om de media in de aanloop naar de Spelen meer ruimte te geven, op een essentieel moment weinig terecht. Dat roept vragen op over de toegezegde persvrijheid tijdens de Spelen zelf en tijdens de tocht van de fakkel door Tibet. Onduidelijk is zelfs of de Chinese televisie beelden van eventuele demonstraties tijdens wedstrijden of op de tribunes zal doorgeven.

Voor alles lijkt de Chinese staat gedreven te zijn door de vrees de greep op het aan grondstoffen rijke Tibet, met een paar miljoen Tibetanen en nog geen honderdduizend Chinezen, te verliezen.

In de Chinese media is zelfs geen ruimte voor de nuances in de Tibetaanse gemeenschappen – het pro-Chinese Tibetaanse zakenleven tegenover de separatistische monniken, pro-Chinese jongeren tegenover hun ouders en grootouders, meer autonomie versus afscheiding. De integriteit van het Chinese moederland is onaantastbaar, is het uitgangspunt.

Tegen deze achtergrond lijkt het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat president Hu Jintao en premier Wen Jiabao gevolg zullen geven aan de oproepen van Amerikaanse en Europese politici, onder wie president Bush, president Sarkozy en premier Brown, om met de Dalai Lama in gesprek te treden. Ook Brusselse europarlementariërs zullen daar volgende week op aandringen.

Niets wijst erop dat Hu en Wen hun strategie met betrekking tot de Dalai Lama – wachten tot hij sterft en dan een opvolger aanwijzen – zullen wijzigen, ook niet onder internationale druk. Echte pressiemiddelen zijn er ook niet, want de meeste politieke genodigden bij de Spelen, president Bush voorop, hebben laten weten dat zij in de verwikkelingen in Tibet geen aanleiding zien een demonstratief gebaar te maken.

Mocht Bush al over een troefkaart beschikken dan gaf hij die deze week weg aan collega Hu door op een gesprek met de Dalai Lama aan te dringen en tegelijkertijd zijn komst te herbevestigen.

Met de afwezigheid van Vlaamse politici kan Peking leven en de aarzeling van de Franse president wordt vooralsnog niet serieus genomen. In november verklaarde Sarkozy nog de innige Frans-Chinese band te willen voortzetten. Bovendien zal wegblijven hem niet in dank worden afgenomen door de Franse ondernemingen die kerncentrales en vliegtuigen bouwen voor China. De Chinese organisatoren weten dat er grote Franse belangen in het geding zijn en houden geen rekening met afzegging. Alle genodigden die gezegd hebben te zullen komen, zullen ook aanwezig zijn, zei een woordvoerder van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens zijn wekelijkse briefing.

Hij toonde zich onmiskenbaar opgelucht. Maar dat betekent nog lang niet dat het Tibetaanse rumoer is verstomd, alle pogingen van Peking om dat geluid weg te draaien en de beelden te wissen ten spijt.

    • Oscar Garschagen