Bijna-dood kan niet

Hersenonderzoek geeft een goe-de verklaring voor alle aspecten van een bijna-doodervaring. Daar is niks mystieks aan.

Iedereen weet na alle publiciteit rond het boek van de cardioloog Van Lommel wel wat bijna-doodervaringen (BDE) zijn. Ze ontstaan als ons brein tekort aan zuurstof krijgt, bij heftige angst of door chemische stoffen. Twintig procent van de mensen vertelt na een hartstilstand dat ze een gevoel van vrede en rust kregen, dat de pijn verdween. Soms krijgt men het gevoel uit het eigen lichaam te treden en zichzelf te zien liggen. Ook kan men vanuit een donkere ruimte met hoge snelheid een tunnel in gaan met aan het einde een helder licht. Soms ziet men overleden vrienden en familieleden terug of een bekende religieuze figuur, en men kan zijn eigen leven aan zich voorbij zien flitsen. En dat alles gebeurt in minder dan een minuut.

Van Lommels verdienste is dat hij in 2001 in de Lancet gedetailleerd heeft beschreven wat mensen tijdens een BDE zeggen meegemaakt te hebben, waardoor dit fenomeen bespreekbaar is geworden in de medische wereld. BDE maakt echter op veel mensen zo’n overweldigende indruk dat ze helemaal niet geïnteresseerd zijn in verklaringen voor deze fenomenen vanuit het hersenonderzoek. Ze denken een kijkje in het hiernamaals gekregen te hebben en houden zich voor de rest van hun leven liever met spirituele en religieuze zaken bezig.

Helaas laat Van Lommel zich door het geloof van zijn patiënten in paranormale verklaringen voor BDE meeslepen door met pseudowetenschappelijke interpretaties te komen,en dat slaat aan, want het boek verkoopt fantastisch. Hij wijst categorisch elke neurobiologische verklaring van BDE af en komt met een theorie die niet alleen BDE, maar alle spirituele en paranormale verschijnselen in één klap verklaart, inclusief voorspellende dromen, reïncarnatie, waarnemingen op grote afstand, en het laten bewegen van voorwerpen met denkkracht. Volgens hem wordt het bewustzijn niet geproduceerd door de hersenen zoals wij, „kortzichtige, materialistische, reductionistische hersenonderzoekers”, denken. Nee, volgens Van Lommel is het bewustzijn „overal in het universum aanwezig” en wordt het door de hersenen ontvangen „zoals een radio of een TV een programma ontvangt”.

Volgens Van Lommel zouden gedachten ook geen materiële basis hebben. Hij weet blijkbaar niets van de recente experimenten die het tegendeel aantonen. Iemand met een geamputeerde arm, kan met zijn gedachten via apparatuur die de elektrische activiteit van zenuwcellen registreert een computermuis of een kunstarm aansturen. De ‘radio’ (de hersenen) maakt dus het programma, precies omgekeerd aan Van Lommel’s overtuiging.

Van Lommel zegt dat zijn spirituele theorie noodzakelijk is omdat er voor ons langetermijngeheugen niet voldoende opslagcapaciteit zou zijn in ons brein. Dit is onzin. Van Lommel lijkt niet te beseffen dat Eric Kandell in 2000 de Nobelprijs heeft ontvangen voor het beschrijven van hoe het korte- en langetermijngeheugen worden gevormd op moleculair niveau. Ook voor onze embryonale ontwikkeling en afweerreacties zou er volgens Van Lommel te weinig informatie in het organisme aanwezig zijn. Volgens hem zou al die informatie in het universum opgeslagen liggen. Weer lijkt Van Lommel niet te weten dat er in 1995 een Nobelprijs is gegeven voor de ontdekking van genen die betrokken zijn bij de vroege embryonale ontwikkeling terwijl in 1987 Tonegawa de Nobelprijs heeft ontvangen voor de ontdekking hoe ons lichaam de enorme diversiteit aan antilichamen produceert. Als klapstuk zou volgens Van Lommel ook het DNA niet de drager van erfelijke informatie zijn, maar slechts de ontvanger van deze informatie uit het bewustzijn in het universum. Niemand kan serieus nemen dat ook Watson en Crick in 1962 onterecht de Nobelprijs hebben ontvangen voor de ontcijfering van de genetische code van het DNA. Het van tafel vegen van vier Nobelprijzen zonder één wetenschappelijk argument vormt het definitieve einde van de wetenschappelijke aspiraties van dit boek. Het is dus zeer terecht in een Hervormde Kerk te Velp ter doop gehouden en niet in een universitaire instelling,

Herhaaldelijk beweert Van Lommel dat een BDE niet kan berusten op zuurstoftekort van de hersenen, want, zegt hij, dan zou iedereen bij een hartstilstand een BDE moeten hebben gehad. Hij vergeet echter dat door een wat langer durend zuurstoftekort het geheugen beschadigt en je je een BDE niet meer kan herinneren. Ook blijkt uit Van Lommel’s studie dat sommige mensen nu eenmaal gevoeliger zijn voor het (terug)krijgen van een BDE dan anderen. Dat zuurstoftekort een BDE zou veroorzaken, wordt door Van Lommel ook verworpen omdat heftige stress hetzelfde induceert. Het stresshormoon cortisol en de reactie van de stresssystemen in de hersenen zelf kunnen de veranderde werking van de hersenen onder die omstandigheden echter prima verklaren. Hoe weet Van Lommel eigenlijk zo zeker dat alle hersenactiviteit bij bewusteloosheid verdwenen is? Het EEG meet alleen de activiteit van het bovenste deel van de hersenschors. Bovendien is bij een hartstilstand de tijd tussen het normale functioneren van de hersenen en de bewusteloosheid voldoende voor het optreden van een BDE, zowel voor als na het optreden van de bewusteloosheid. Dat is dezelfde tijd waarin Dostojewski zijn „eindeloze” ervaringen had gedurende een aanval van temporaalkwab(= slaapkwab)epilepsie. Voor de mogelijkheid dat een BDE kan optreden tijdens het bijkomen uit een bewusteloosheid pleit dat mensen voor hun gevoel soms terugfloepen in hun lichaam op het moment dat de reanimatie is geslaagd.

Voor elk aspect van de BDE is een goede verklaring vanuit het hersenonderzoek. Een uittredingservaring is op te wekken door stimulatie van de temporaalkwab die zeer gevoelig is voor zuurstoftekort. Als hier de verwerking van de informatie uit de spieren, het evenwichtszintuig en van het zien wordt verstoord, dan krijg je het gevoel uit je lichaam te treden en te zweven. Door stimulatie van de hypothalamus kun je gebeurtenissen van 30 jaren geleden herbeleven alsof je leven aan je voorbij flitst. Het gevoel van vrede en rust en het verdwijnen van pijn bij een BDE wordt veroorzaakt door het vrijkomen van opiaatachtige stoffen en het zien van een tunnel berust op een verminderde doorbloeding van de oogbol.

Van Lommel is natuurlijk vrij om spirituele theorieën te poneren. Zijn ideeën zijn ook niet nieuw. Ze bestonden al duizenden jaren geleden in vele culturen, mystieke bewegingen en godsdiensten. Hij moet de mensen echter niet voor de gek houden met een ondertitel die een „wetenschappelijke visie op de BDE” aankondigt. Wat bovendien onacceptabel is, is dat hij als arts mensen angstig maakt voor het ter beschikking stellen van hun organen voor transplantatie. Het is verbijsterend dat hij de kletsverhalen waarbij de ontvanger van het getransplanteerde orgaan karaktereigenschappen van de donor mee zou krijgen, als waarheden brengt. Van Lommel zegt weliswaar in principe niet tegen orgaantransplantatie te zijn, maar maakt intussen potentiële donoren en hun familie onnodig angstig.

Er wordt in diverse ziekenhuizen geprobeerd om bewijzen te verzamelen voor het uit het lichaam treden tijdens een BDE. Hoog op kasten zijn ‘codes’ neergelegd, maar zoals verwacht, hebben ‘uitgetreden’ patiënten niet kunnen vertellen wat er boven op de kast lag. Alles bij elkaar is er dus geen enkele reden om BDE te zien als bewijs voor waarnemen buiten de hersenen om, of als bewijs iets te hebben meegemaakt van een leven na de dood. In het hiernamaals zijn die patiënten nooit geweest. Bijna-dood is niet hetzelfde als dood, net zoals bijna zwanger niet hetzelfde is als zwanger.

Dick Swaab is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Reactie en vragen kunt u sturen naar: Zbrieven @nrc.nl