Amsterdam – Aalsmeer

Door een stad wandelen is hem zien veranderen. Mijn lievelings-oude-tantevriendin woonde nabij het Amsterdamse Haarlemmermeerstation (op een etage met een echte venster-bánk in de erker) en ook de Zeilstraat ken ik als mijn knieën. Maar nu wandel ik hier en zie hoe het oude stationsplein wordt verkleind want er snerpt wind in de rondte. De Zeilstraat is grootser dan anders, ze draagt het sneeuwlicht als een angora-stola. Leek de brug over de Schinkel altijd al op een zwaarlijvige paperclip? Hij wijst trouwens ineens de weg naar een jaagpad (was me nooit opgevallen) en dat voert langs zo te zien zelfgebouwde dromen: woonarken, de een is nog meeslepender van ontwerp dan de ander en alle deinen ze achter ontroerende struiken- en plantenerven.

Ja, de tot klontjes versmeltende sneeuw en de zon op het water stemmen een tintje zachter, maar sowieso is het hier om op te vreten zo leuk. Een bejaarde man met lepe ogen onder zijn capuchon remt zijn fiets af om mee te delen hoeveel hij van de vroege ochtend houdt, „maar als ik om deze tijd rondfiets denken ze tegenwoordig dat ik een inbreker ben.”

Vergeleken met de smaakvolle fantasie van de woonarken zijn de pochgebouwen onder de A10 eens zo bespottelijk, zoals het reuzen-gymschoenvormige bankkantoor en dat stel gevels die elkaar naäpen door dichtgesmeerd te zijn met zogenaamd marmer.

Ha. Het Amsterdamse Bos. Dat ken ik: Bosbaan, openluchttheater, geitenboerderij, pannekoekenterras met wespen. Ho. Stop. Weg ermee.

Nu gaat het om andere hoeken, waar het Bos grootscheepser is en verslordigd en veelsoortig van boom en ondergroei met gele bloemetjes. De paden zijn smal, omgewaaide stammen strekken zich uit over ijzige watertjes. Man vindt het tijd voor een sneeuwbal. Wacht maar, straks zeep ik je in.

De ruimte tussen de bomen wordt bespikkeld met hagelvlokken (ze attaqueren in waaiwolken). De zon keert terug, maar boven het lenige natuurgebied de Poel hangt een hemel van uitgeveegd houtskoolkrijt. Als we het modderpad bij de weilanden hebben bereikt, ontlaadt hij zich in een hagelbom.

Via een vaart belanden we in een land van geblindeerde kassen en schoorstenen van rode baksteen. Een anoniem bordje in een lap grond verordonneert de voorbijganger in hanepoten om ‘mij niet meer lastig te vallen’. Want ‘de zaak is heden verkocht’. Schuld en schaamte tussen het glas, ocharme.

Sneeuwkristallen fladderen omlaag. Een aardig achterafpad brengt naar de Aalsmeerse bloemenveilinghallen. Geen bloem te zien, alleen hekken. Dat kunnen ze best anders aanpakken. Toch?

20 km. Kaarten 3 t/m 7 uit; Pelgrimspad I. Uitg. Wandelplatform-LAW, 1997. In 2005 verscheen een nieuwe druk. Tussen Aalsmeer (halte Zwarteweg) en Amsterdam (Haarlemmermeerstation) rijdt elk half uur bus 172.
    • Joyce Roodnat