‘Alles voor de patiënt’

Net als leraren en politieagenten klagen verpleegkundigen over een te lage beloning voor hun zware werk. Verkenning van twee levens achter de cijfers en het commentaar van een socioloog.
Joost Sijtsma Foto Leo van Velzen Delft, 27-03-08. Joost Sijtsma. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Zo’n drie maanden geleden overkwam het Herman Langen weer eens. Hij had bereikbaarheidsdienst als narcoseverpleegkundige in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen. Midden in de nacht werd hij uit zijn bed gebeld. Meteen naar het ziekenhuis. Een vrouw was thuis aan het bevallen, maar dat ging niet goed. Ze kwam met de ambulance. Het hartje van de baby klopte steeds zwakker. Onmiddellijk een keizersnee. Maar toen het kindje werd gehaald, bleek het te zijn overleden.

Het zijn nare ervaringen die voor veel stress zorgen en nog lang doorsudderen. Natuurlijk vertelde hij het zijn vrouw die nacht toen hij thuiskwam. En de volgende dag praatte hij erover in het team. Maar de beelden kwamen nog vaak terug in de week die volgde. „Voor een politieagent die iets naars meemaakt wordt slachtofferhulp geregeld, voor ons op de operatiekamer niet.” Na zo’n ervaring breekt bij de eerstvolgende keizersnee het zweet hem weer uit. Maar als dat goed gaat – wat gelukkig meestal het geval is – is hij er weer overheen.

Hij vindt zijn werk zwaar, vooral psychisch. Vaak moet hij in een luttele seconde cruciale beslissingen nemen. Situaties van klotsende oksels, zoals een collega het uitdrukt. Een patiënt die tijdens een operatie plots wegzakt, welk medicijn dien je toe? Hij is dan bezig met het redden van levens. Meestal is de verantwoordelijke arts, de anesthesioloog, op een andere operatietafel bezig. Bij een calamiteit moet hij zelf handelen, daarna roept hij de arts erbij. Eigenlijk doet hij vaak het werk van een anesthesioloog. Daarvoor is hij niet opgeleid, wordt hij niet gewaardeerd, laat staan betaald. „Maar als ik het niet doe, word ik er wel op afgerekend.” Je moet ertegen zijn opgewassen. Dat is hij wel. Als het lukt, geeft het veel voldoening. Maar sommige collega’s gaan aan de spanningen onderdoor.

Met mensen werken is zijn lust en zijn leven. Na de havo wist hij als 19-jarige niet precies wat hij moest gaan doen. Gezondheidszorg of politiewerk spraken hem aan. Hij deed een psychologische test bij de politie. Er was twijfel of hij wel iemand kon neerschieten als dat nodig was. U kunt beter in de zorg gaan werken, zeiden ze. Dus begon hij na zijn dienstplicht een opleiding tot verpleegkundige in hetzelfde Wilhelmina Ziekenhuis waar hij nu nog werkt. Vier jaar lang werken en leren tegelijk. Hij begon met 900 gulden in de maand (400 euro). Zorg bleek zijn roeping. „Alles wat we deden, was voor de patiënt. Niemand dacht: overuren moeten worden uitbetaald.” Maar in de jaren die volgden, werden de roosters steeds strakker, kwam er steeds minder extra tijd voor patiënten. Een wandelingetje maken met een zieke was er niet meer bij.

Toen in 1986 zijn dochter Marije werd geboren, stopte zijn vrouw met haar werk als mediathecaris op een streekschool. Ze wilde voor de kinderen zorgen, een keuze die in die dagen nog gewoner was dan nu. Ze moesten met minder rondkomen, maar het huurflatje in Assen was goedkoop en ze waren gelukkig. In 1989 werd zoon Martijn geboren en verhuisden ze naar een eengezinswoning. Ze vonden wel dat hij weinig verdiende. In 1993 zat hij na tien jaar als verpleegkundige in de hoogste schaal en kreeg hij 2.500 gulden netto (1.140 euro). Hij deed veel onregelmatige diensten om er nog iets bij te verdienen. Dus besloot hij een driejarige opleiding te gaan doen voor anesthesie-verpleegkundige. Aanvankelijk een strop van een paar honderd gulden, maar later zou hij meer kunnen gaan verdienen. Zijn vrouw nam bij kennissen zwart wat schoonmaakwerk aan om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Gelukkig konden ze met de caravan van zijn ouders een keer per jaar op vakantie.

Toen hij in 1996 anesthesie-verpleegkundige werd, ging hij 2.800 gulden verdienen inclusief onregelmatigheidstoeslag (1.270 euro). Een functie met soms lange dagen, 20 tot 25 uur achter elkaar. Die absurd lange diensten zijn de afgelopen jaren wel wat teruggedrongen. Nu heeft hij afgezien van bereikbaarheidsdiensten in principe een 36-urige werkweek. Daadwerkelijk gewerkte extra uren worden gecompenseerd met vrije tijd, al kan hij die uren vanwege de werkdruk maar moeizaam opnemen.

In 1997 kocht hij een eigen huis, netto 900 gulden voor een spaarhypotheek. Daar hebben ze best wat slapeloze nachten over gehad, vooral zijn vrouw. In 2001 ging zij weer werken, in de bibliotheek. „Voor de kinderen.” Zoon Martijn heeft astma. Als hij moest kuren in Davos, kostte het veel geld om hem daar te bezoeken. En dochter Marije bleek een talentvolle hoogspringster die vorig jaar Nederlands kampioen werd. Veel aan sport doen betekent veel naar wedstrijden toe, veel reiskosten, veel sportkleding. Ze is nu 21 en studeert in Groningen voor diëtiste, maar hij moet haar leven deels blijven bekostigen. Met zes trainingen in de week heeft ze geen tijd voor een baantje.

Zijn vrouw moet blijven werken om het financieel vol te houden. Ze doet nu een opleiding voor verpleegzorg en verdient het minimumloon. Met zijn salaris van 1700 euro netto waarvan zijn ziektekostenpremie al is afgehaald, zit hij aan het einde van zijn schaal. Daarmee behoort hij tot de best betaalde verpleegkundigen in Nederland. Hij kan hoogstens nog teamleider worden. Toch vindt hij het eigenlijk „een gigantisch laag bedrag na al die jaren werken”. Sinds een jaar is hij voorzitter van de OR in het Assense ziekenhuis, twee dagen in de week. En hij doet bij de vakbond Abva Kabo een opleiding ‘strategisch sturing geven aan een OR’. Misschien dat hij de verpleging ervoor zal verlaten. JA

Dit is het slot van een korte serie over salariëring door de overheid. Eerdere delen over de politie en het onderwijs zijn terug te lezen op: nrc.nl/binnenland

‘Mijn opa, oma, vader, moeder, zus, ooms, tantes, ze werken allemaal in de zorg. En ik dus ook. Elke verpleegkundige heeft zo zijn voorkeur, die van mij is traumatologie. Een ongeval pakt anders uit voor een 16-jarig meisje dan voor een dame van 90. De begeleiding, de ondersteuning van een patiënt is heel belangrijk. En dat gecombineerd met vaak ingewikkelde breuken en grote wonden. Daar ga ik van watertanden.”

Joost Sijtsma (25) heeft net ontslag genomen. Het hoeft voor mij even niet meer, zegt hij. Waarom niet? Er is, zegt hij, geen ruimte en geld meer om het vak goed te doen. „Je wil een stukje tijd en aandacht in mensen investeren, maar 9 van de 10 keer ben je alleen bezig met verzorgen en doktersorders uitvoeren, verpleging is meer dan dat. Dan merk je ’s ochtends tijdens het wassen dat een patiënt emotioneel is. Je zegt: ik loop zo nog even bij u langs. Maar je hebt twee afdelingen om voor te zorgen, met patiënten die zieker zijn dan vroeger. Die liggen tegenwoordig op een gewone afdeling en niet meer op de intensive care. Dus er hoeft maar iets te gebeuren met iemand, en je bent de rest van de dag aan het organiseren en regelen en je komt nergens meer aan toe. Paniekvoetbal. Ik ben zo iemand die na werktijd toch nog even langs gaat om een praatje te maken. Daar ben je verpleegkundige voor. Je doet het niet voor het geld, maar om wat je wilt geven aan mensen. Maar toch, aan het eind van de maand breekt het schamele loontje je wel op.”

„In Nederland heeft ons beroep een imagoprobleem. Niet alleen qua geld, maar ook qua inspraak. Neem België. Daar zit wel een afgevaardigde van de verpleging in de directie van een ziekenhuis. In Engeland hebben ze weer wat wij hebben afgeschaft: de hoofdzuster. Iemand met overzicht, die alle patiënten kent. Op die manier kunnen verpleegkundigen echt wat betekenen. Wij zien de patiënten zeven dagen vierentwintig uur. Wij kunnen preventief optreden. Maar als er niet naar ons wordt geluisterd, geen oog is voor onze klinische blik en ziekte-inzicht krijg je ad hoc-beleid. Er wordt te vaak pas iets gedaan als het te laat is.” Uiteindelijk, zegt Sijtsma, zal de patiënt de dupe zijn. „Wij verpleegkundigen klagen wel onder elkaar, maar daarbuiten laten we ons weinig horen. Misschien moeten we het gaan aanpakken als de politie-agenten. Staken.” RK

    • Rinskje Koelewijn
    • Jaco Alberts