Verzuiling en heibel in de letteren

Wanneer is de rare gewoonte ontstaan om in een geschiedenis van de Nederlandse literatuur afzonderlijke paragrafen en hoofdstukjes te wijden aan protestantse en katholieke schrijvers en dichters?

Willem Jonckbloed (1817) was er nog niet aan toe. In zijn Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, die tussen 1868 en 1872 in zes delen verscheen, vermeldde hij wel hoe Anna Bijns als een katholieke fanatica kon uitvallen tegen de ketterse Luther, dat Revius daarentegen een groot protestants dichter en theoloog was geweest, en waarom Vondel op zijn oude dag weer rooms werd – maar Bijns figureerde gewoon tussen de Rederijkers, Revius tussen andere vroeg-17de eeuwers, en Vondel ongesegregeerd naast Hooft en Bredero.

De volgende klassieke letterengeschiedenis, van Jacob Prinsen, is onder neerlandici jarenlang kortweg bekend geweest als ‘het Handboek’ – niemand wist meer dat het voluit het Handboek tot de Nederlandsche letterkundige geschiedenis (1914) had geheten. Prinsen (1866-1935) groeide op als een iets te jonge Tachtiger, hij zag onze literatuur in de vaart der volkeren ook minstens zo hoog eindigen als Lodewijk van Deyssel had gehoopt, en het schrijverschap achtte hij vele malen belangrijker dan het toevallige geloof waarmee de kunstenaar bij zijn geboorte was opgescheept. Natuurlijk waren de jonge Thijm, de jonge Van der Goes of de jonge Kloos in zijn ogen niet katholiek, socialist of agnost – ze waren schrijvers.

Een kwart eeuw na Prinsen verscheen de Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden van Cornelis de Vooys. En dan blijkt de gewoonte om vooral in de meer eigentijdse letteren de protestantse bokken van de katholieke schapen te scheiden definitief ingevoerd. Het heeft dan in allerlei beknopte literatuurgeschiedenisjes voor bijzondere scholen allang gewemeld van de ‘apartheid’, maar dank zij het gezag van De Vooys, wiens boek in het openbaar onderwijs ruim verspreid zou worden, is het gebruik ook haast meteen tot regel verheven.

Tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en de Duitse bezetting van Nederland begon, scherpte Garmt Stuiveling, die in 1943 de zoveelste druk van het standaardwerk mocht redigeren, het letterkundig sektarisme nog gedachteloos aan, door schrijvers als Herman Heijermans, Jacob Israel de Haan en Carry van Bruggen nadrukkelijk te benoemen als joodse auteurs. Zoals de leerlingen van een School met de Bijbel tot op deze dag misschien nog worden gewaarschuwd dat Anton van Duinkerken een paap was.

Hoe schadelijk is, gedurende haar hoogtij in het interbellum, de verzuiling voor onze letteren geweest?

Het is verleidelijk om een passage uit het katholieke dagblad De Tijd van 31 maart 1936 te citeren. Aan het woord is de zojuist genoemde Anton van Duinkerken, en zijn onderwerp is de Boekenweek, en het net verschenen Boekenweekgeschenk, waarin toentertijd nog diverse auteurs over literatuur in het algemeen en het eigen werk in ’t bijzonder plachten te filosoferen.

‘Natuurlijk’, schrijft Van Duinkerken, ‘zal een katholieke lezer zulk een geschenk altijd met eenige reserve moeten ontvangen en doorbladeren. Lang niet alle werken die er in genoemd worden, zelfs niet alle geschriften die er in worden aangeprezen, verdienen de aandacht van den katholiek […]. Ook deze maal is een katholiek auteur gevraagd om zijn meening te zeggen over de katholieke boekenproductie van 1935-1936. De gevraagde was Albert Kuyle.’

Tot zover leek het artikel (getiteld Wij Roomschen…) het modelvoorbeeld van katholiek particularisme in een verzuild land. Maar het wordt al snel ingewikkelder. Albert Kuyle was weliswaar katholiek, maar was sinds 1934 wat zijn ‘cultuurpolitieke’ opvattingen betreft gevaarlijk dicht opgeschoven in de richting van het Duitse nationaal- socialisme, en was mede om die reden uit de redactie van het katholiek-literaire tijdschrift De Gemeenschap getreden. Zijn denkbeelden zou hij voortaan met een aantal geestverwanten uitdragen in De Nieuwe Gemeenschap. Kuyle was daarmee een tegenstander geworden van Van Duinkerken, die niets moest hebben van een al te rechts katholicisme, en trouw was gebleven aan de oorspronkelijke Gemeenschap.

In z’n artikel voor het Boekenweekgeschenk had Kuyle ronduit Hitler geprezen om diens anti-joodse wetgeving waardoor wat hem betreft ‘velen door een wet uiterlijk werden wat zij innerlijk reeds eeuwen en eeuwen waren: bannelingen buiten het gebied eener christelijke levensgemeenschap’ . En zonder meteen een Harry de Winter avant la lettre te worden, nam Van Duinkerken de gelegenheid te baat om vanwege die uitspraak niet alleen vijand Kuyle, maar meteen ook het hele Boekenweekcomité en de redacteur (Roel Houwink) van het Geschenk de oren te wassen.

Dat het literaire klimaat in het vooroorlogse Nederland vergiftigd was door allerlei ‘principiële’, persoonlijke, wrokkige en altijd kifterige tegenstellingen had echter maar zeer ten dele te maken met de verzuiling. Het bronnenboek dat op initiatief van het Letterkundig Museum werd samengesteld over de strijd tussen De Gemeenschap en De Nieuwe Gemeenschap (Roomse Ruzie, Vantilt, 472 blz. € 34,90) laat zien dat invloeden uit het boze buitenland (Moskou en Berlijn voorop) nog veel meer en veel anders geaarde onderlinge rancunes, heibels, afrekeningen en privé-antipathieën naar buiten brachten dan het geval zou zijn geweest als er alleen maar tegenstellingen tussen rooms, rood en reformatorisch hadden bestaan.

Prachtig boek – waarin het Nederlandse sektariërschap in al z’n vriendelijke, ridicule en kwaadaardige varianten op elke bladzij aan het licht komt. Of het voorbij is blijft de vraag. Niemand weet meer of Bernlef, Mulisch, Vroman, A.F.Th. Heijden en Judith Herzberg misschien ooit rooms of gereformeerd waren. Ze weten het meestal zelf niet eens meer. Maar er zijn nog genoeg andere sekten voor afzonderlijke hoofdstukken in het geschiedenisboek.

    • Jan Blokker