Overal in het leven stijgt de inflatie

In Zimbabwe schijnt de inflatie inmiddels te zijn gestegen tot 100.000 procent.

Daar waren de Duitsers van 1923 niks bij. Ik heb nog ergens een biljet van honderdduizend mark dat iemand uit de kennissenkring van mijn ouders in Düsseldorf als wisselgeld had teruggekregen toen hij voor een miljoen een pakje sigaretten had gekocht. Ik weet nog dat ik het waardepapier als kind bijna elke dag uit een sigarettendoosje pakte, om en om draaide, er aan rook, steeds weer met een vinger langs alle cijfers en letters ging alsof ik ze uit m’n hoofd moest leren, en het dan weer teruglegde.

Honderdduizend hebben! Maar geen cent waard.

Ongeveer hetzelfde gevoel dat ik gisteravond had toen ik eindelijk de PVV-site had bereikt en de bijmekaargeharkte compilatie (bijna vier maanden productietijd!) van onze parlementariër had gezien.

Omdat Zimbabwe binnenkort naar de stembus gaat, had correspondent Bram Vermeulen van het Radio 1 Journaal in Harare iemand opgezocht die hoopte dat Mugabe de verkiezingen zou winnen, want dan veranderde er niks en zou hij rijk blijven van de geldhandel.

Ook de zwarte mens is slecht.

Bram begon z’n item met twintig seconden geritsel dat ik niet thuis kon brengen. Zeker storing, dacht ik. Maar nog in de ritseling zei de correspondent: „Ik ben bezig honderd dollar te wisselen, en daar krijg ik hier op de zwarte markt anderhalf miljard Zimbabwaanse voor terug.” Ik had dus naar het ritselen van anderhalf miljard Zimbabwaanse dollars geluisterd. Maar was dat echt zo? Had Bram thuis voor z’n bandrecorder niet een paar oude kranten zitten kreukelen?

Dat vind ik het eigenaardige van radioreporters: dat ze nog altijd hoorspelen maken van hun nieuws.

In de dagen van mijn honderdduizend mark, had je ’s avonds Paul Vlaanderen, de Nederlandse (of eigenlijk Engelse) James Bond. Televisie bestond nog niet, dus zien kon je niks. Maar dankzij het geluid zag je het allemaal vóór je. Je hoorde deuren piepen, er naderden voetstappen, zodra de spanning steeg begon het te onweren, schoten werden afgevuurd, iemand sloop over het tuinpad, en boven alles uit de stemmen van Paul en van zijn vrouw Ina, die hem in bijna elke aflevering op het nippertje van de dood redde door waarschuwend te roepen: ’Paul! Zie je die man daar?’

‘Gehoorspel’, zou Wim Kan de illusies nog eens noemen.

Maar met de toepassing van de Nipkowschijf raakte vrijwel alles onttoverd, dus ook Paul en Ina. Want ineens kon je zien hoe dat al die jaren was gegaan. Twee acteurs, die Jan van Ees en Eva Janssen heetten, bleken elke week hun opgewonden teksten ontspannen in twee hangmicrofoons te hebben uitgesproken, en overige geluiden zag je ter plekke gemaakt worden. Niks tuinpad, maar een bakje grind waar iemand doorheen roerde. Geen onweer maar een dunne kachelplaat die dezelfde rekwisiteur in een hoekje van de studio uitschudde, waarna hij als het moest ook nog een in al z’n scharnieren knarsende loze deur open en dicht deed. En als er toevallig een keer een misdadiger op een paard moest komen aanrijden, maakte hij een galop na met twee halve kokosnoten.

Dezelfde onttovering als bij Fitna: niet het begin van de derde wereldoorlog, maar een nette film.

‘Ik moest hollen voor mijn leven’, hoor je Amerikaanse presidentskandidaten wel eens liegen, en dan weten we dat ze drie assistenten bij zich hadden, van wie de een het geluid van kogels maakte, de andere snelle voetstappen deed, en de derde hijgde.

En nooit kan ik meer een radioverslaggever een storm aan zee horen verslaan, of ik denk: ‘ja, ja, een emmer water en een windmachine’.

Overal in het leven zie je de inflatie stijgen.

Jan Blokker

Lees eerdere columns op nrcnext.nl/blokker

    • Jan Blokker