Natuurlijke verjonging

Over bos dat niet wordt beheerd. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen.

De opmars van hulst in de bossen met op de achtergrond een beuk. Foto Sake Elzinga Nederland - Drenthe - 26-03-2008 Opmars van hulst met op de achtergrond een beuk. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

In het begin van deze rubriek hebben we van Rienk-Jan Bijlsma een basiscursus boomgedrag in bosverband gehad. „We zien nu pas wat ze kunnen”, zei hij toen en dat is me bijgebleven, ik dacht steeds: dat moet hij maar eens aanschouwelijk maken.

Nu lopen we dan over de Imbosberg, ergens tussen Arnhem en Eerbeek. Een vrij lichte opstand van berken en eiken op een zandige bodem; wat heide, veel bosbes. En dit is een bosreservaat. Dat kennen we in Nederland sinds 1987: stukken bos die niet worden beheerd. Berken en eiken dus die aan hun lot zijn overgelaten. Overal zie je hun doodgravers al: jonge beuken.

„Volgens de literatuur”, zegt Bijlsma, „kúnnen hier helemaal geen beuken. Op deze grond waren beuken onmogelijk; en bosbouwkundig ís het misschien ook wel zo – timmerhout zullen deze beuken nooit opleveren. Maar daar hebben zij natuurlijk geen boodschap aan.”

Kleine beukjes, extra opvallend omdat die tot het voorjaar hun herfstblad behouden. Bruine struiken, kegelvormig, heel compact. Daaraan zie je dat ze rondom voortdurend worden aangevreten door herten. Hun eerst groei is erop gericht deze beesten weg te duwen. Geleidelijk vergroten ze hun cirkel, tot in het hart ervan de hoofdstam onbelemmerd kan opschieten. Dan gaat het opeens de hoogte in.

Naast jonge beuk heb je hier overigens ook jonge eik. Maar beuk groeit gewoon harder. „Dus hier”, constateer ik ietwat zorgelijk, „zal de opmars van de beuk niet door de klimaatverandering worden gestuit.”

„Daar wordt verschillend over gedacht”, antwoordt Bijlsma tactvol. Kijk, de volwassen beuken zoals wij ze kennen, láánbomen eigenlijk, lange stam, hoog opgekroond... die zullen het bij grote droogte ongetwijfeld moeilijk krijgen. Maar hier ontstaan, met name door de begrazingsdruk, heel nieuwe groeivormen – laag vertakt, korte aanvoerlijnen. Dergelijke beuken zouden zich best staande kunnen houden.

„Maar dan praat je niet meer over de saaie beukenbossen van tegenwoordig”, begrijp ik.

„Bizarre bomen”, verzekert Bijlsma opgewekt. „Dan krijg je beukenbossen die nog nooit iemand heeft gezien. Jongen, dat worden enorm mysterieuze bossen!”

Dit alles op grond van ontwikkelingen die nog maar zo’n twintig jaar gaande zijn. Dat maakt een mens ontzettend benieuwd naar de komende honderd. „Dan krijgen we”, zegt Bijlsma, „naast een natuurlijke verjonging ook de natuurlijke aftakeling te zien.” Jawel, daar verheugt hij zich op.

Vervolgens begeven we ons in de richting van Laag-Soeren. De Schaddevelden heet het daar. Verspreid staande dennen en berken, en de bodem nog armer – uitsluitend smele en bronsmos, de humusvorming nog maar in het begin. Puur dekzand eigenlijk, stuifheuvels.

Nu worden we geconfronteerd met een andere opmars, die van hulst. Op de route die we lopen komen we eerst her en der een struikje tegen, mannetjes waarschijnlijk (hulst is tweehuizig). Maar uiteindelijk bereiken we een complete hulstboom, en dat is zeker een vrouwtje; er zitten nog wat bessen aan. En als je daar om je heen kijkt: de hele omgeving bezaaid met beginnende hulst.

„Dat komt allemaal van Intratuin”, zegt Bijlsma. Al die hulst is uit tuinen ontsnapt. Hulst reist makkelijker dan beuk. De zaden worden door vogels verspreid, terwijl die van beuken vooral door muizen moeten worden versleept.

Na de laatste ijstijd is hulst in het kielzog van beuk onze bossen binnengerukt. Nu gebeurt dat in feite opnieuw. Dat hulst er lang ontbroken heeft, komt waarschijnlijk doordat de bossen te open en daardoor te koud waren. Hulst kan slecht tegen nachtvorst.

En ook hier, op dit door hulst bestormde heuveltje, de eerste beukjes. „Arm”, zegt Bijlsma. „Armer vind je het in heel Nederland niet. Droog. Droger vind je het nergens.” Grappig dat hij dat zo zegt, want onze excursie is in de stromende regen begonnen. Maar hij bedoelt de bodem, niet de lucht.

Koos van Zomeren

    • Koos van Zomeren