Hoe de plofkip uit Nederland verdween

Onderzoek Wakker Dier Het kippenwelzijn is na zeven jaar weer onderzocht. De resultaten zijn opvallend positief. Dankzij de sector én de dierenbeschermers.

Foto Marcel van Hoorn/ANP

Honderden miljoenen vleeskippen in Nederland hebben afgelopen jaren een beter leven gekregen. Ze hebben minder last van pijnlijke blaren aan hun poten, ze hebben meer ruimte, ze zijn minder gefrustreerd, en hebben ’s nachts meer rust.

Dat blijkt uit onderzoek van de Wageningen Livestock Research in opdracht van dierenwelzijnsorganisatie Wakker Dier. Het is voor het eerst sinds 2011 dat er een systematische inventarisatie is gemaakt van de leefomstandigheden van vleeskippen – door de sector ‘vleeskuikens’ genoemd, omdat ze al binnen enkele weken geslacht kunnen worden.

Van grote invloed is de doorbraak van langzamer groeiende kippenrassen. Ruim 30 procent van de in Nederland gehouden vleeskuikens is op dit moment van zo’n trager groeiend ras. Dat zijn er zo’n 100 miljoen op jaarbasis. In 2011 was dit nog maar enkele procenten. De nieuwe kippenrassen verschillen genetisch van de allersnelste groeiers – bekend geworden als plofkippen – die in zo’n zes weken klaar zijn voor de slacht. De andere kippenrassen krijgen circa één tot wel zo’n zeven weken meer.

Karel de Greef, die de inventarisatie samen met collega’s uitvoerde, noemt de bevindingen „heel erg opvallend”. De keuze voor zo’n ander kuiken is „zeer belangrijk”, zegt hij, want die hebben minder gezondheidsproblemen dan zogenoemde plofkippen. „In een aantal jaar is er ontzettend veel veranderd”.

Dat is goed zichtbaar in de supermarkt, vooral bij vers vlees zoals kipfilets. In 2011 bestond nog 93 procent van de omzet van vers vlees uit de snelst groeiende vleeskuikens, meldt Wakker Dier op basis van cijfers van marktonderzoeker IRI. Inmiddels bestaat het volledige assortiment uit de nieuw geïntroduceerde kip.

Samenspel

Onderzoeker De Greef ziet de verbetering van het kippenwelzijn als samenspel: de Dierenbescherming kwam ruim tien jaar terug met het Beter Leven-keurmerk, waarmee er een alternatief werd geboden voor de (prijzige) biologische kip. Wakker Dier zette de plofkip met campagnes op de kaart. Supermarkten waren er gevoelig voor. Zij kwamen met hun eigen nieuwe variant (de eisen van de Dierenbescherming waren hun iets te gortig). Ook kwam er verscherpte dierenwelzijnswetgeving uit Den Haag en Brussel.

Lees ook: Waarom het Beter Leven-keurmerk een succes werd

Nergens is het welzijn van kippen ooit zo verbeterd, zegt Anne Hilhorst van Wakker Dier, die dit onderzoek liet uitvoeren omdat de overheid dat sinds 2011 niet meer doet. „De Nederlandse vleesconsumptie is voor een groot deel plofkipvrij. Dat is een ongelooflijk grote stap. De onderkant is massaal naar boven getrokken.” Toch is Wakker Dier nog niet tevreden: „70 procent is nog wel plofkip.” Dat vlees gaat voornamelijk naar het buitenland.

Toch zijn de omstandigheden van gewone vleeskuikens, 250 miljoen op jaarbasis, de laatste jaren ook verbeterd. Zo daalde het aantal pijnlijke blaren aan de poten flink. Verder is het gebruik van antibiotica sinds 2011 gehalveerd. Daarmee is niet gezegd dat gewone vleeskippen nergens meer onder lijden. De belangrijkste problemen van 2011 zijn er nog: blaren aan de poten, frustratie door verveling, problemen met lopen en volle stallen, te korte periodes waarin de stal ’s nachts donker is. Maar deze problemen zijn er wel minder.

Een duidelijke illustratie is de afname van blaren aan de poten, een van de vervelendste aandoeningen die vleeskuikens kunnen hebben volgens de onderzoekers. Niet alleen zijn ze pijnlijk, de kippen lopen er ook lang mee rond. In 2011 had de helft van alle gewone vleeskuikens in Nederland last van blaren, in 2018 is dat gedaald naar 15 tot 20 procent. Dat komt vooral doordat kippen op drogere en schonere ondergrond gehouden worden. Aangescherpte EU-regels, die boeren bestraffen die veel dieren met blaren hebben, hebben geholpen.

Striktere regels bij nieuwe rassen

Bij de nieuwe, langzamer groeiende kip heeft naar schatting minder dan 10 procent last van de voetzoolblaren. Omdat die rassen er waarschijnlijk minder gevoelig voor zijn, zegt De Greef. Maar met name omdat zij met minder kippen op een oppervlakte zitten, waardoor stallen droger blijven.

Want voor deze dieren gelden ook strengere welzijnsregels dan voor gewone vleeskuikens. Ze krijgen niet alleen meer ruimte, maar ook verplicht graan en ander materiaal tegen de verveling en het licht gaat ’s nachts minstens zes (supermarktkip) of acht uur (Beter Leven) uit. De kippen hebben daar profijt van, constateren de Wageningse onderzoekers.

Maar de onderlinge verschillen tussen nieuwe soorten zijn flink. Zo hebben de supermarkten minder strenge voorwaarden opgesteld dan de Dierenbescherming. De supermarktkip leeft met 17 tot 19 stuks op een vierkante meter. Bij één ster van het Beter Leven-keurmerk is dat 12 kippen. Biologische kippen leven met z’n tienen op een vierkante meter en hebben vier meter buitenruimte per kip.

Ruimte is belangrijk voor kippen, omdat ze dan natuurlijk gedrag kunnen vertonen, zoals scharrelen of een stofbad nemen, zegt De Greef. Vooral de supermarktkip wordt hierin nog beperkt met frustratie tot gevolg, zeker als de kippen tegen de slachtdatum aanzitten. „Dan groeit zo’n stal toch een beetje vol.” Toch stelt De Greef vast: „de eerste stap doet het meest.”

Dierenwelzijn staat ook hoger op de agenda van de fokkers van traditionele vleeskuikens, de allersnelste groeiers, merkt De Greef. Tot een aantal jaar terug was een mooie, snel geproduceerde kipfilet het belangrijkste. Dat leidde tot „schokkende zaken” zegt hij, zoals kippen met hartfalen die zich doodgroeiden. Dat soort uitwassen zijn „eruit gefokt”. De Greef heeft de hoop dat dit ook lukt met andere nog veel voorkomende problemen, zoals pijn bij het lopen. Van „zwaar bespierde dieren” kun je misschien niet verwachten dat ze helemaal normaal lopen „maar het moet zonder pijn kunnen”.

Lees ook: Vaarwel plofkip – in Nederland dan
    • Geertje Tuenter