Laten we dubbel op onze hoede zijn

‘Het genadeschot’ is zo interessant omdat we te maken hebben met een zowel onsympathieke als onbetrouwbare verteller.

Tot nu toe is het 2-1 voor Alexis. Door Margot Dijkgraaf wordt de meeste aandacht besteed aan dit verhaal en Elsbeth Etty zet het zelfs uitdrukkelijk af tegen Het genadeschot. Alleen Ger Groot heeft een lans gebroken voor deze novelle of kleine roman uit 1939. Ik breng de stand graag op 2-2, want in mijn ogen is Het genadeschot superieur aan Alexis, waarvan de belangrijkste verdienste (als we Etty mogen geloven) eruit bestaat dat het verhaal laat zien hoezeer iemand lijdt als hij gedwongen is zijn ware aard te verloochenen. Een voorbeeld uit het hedendaagse Iran moet de actualiteit van dit thema onderstrepen. Ik zou zeggen: leve de Perzische vertaling van Alexis, maar een literair argument kan deze verdienste moeilijk genoemd worden.

Ook in haar afwijzing van Het genadeschot gebruikt Etty nauwelijks literair te noemen argumenten. Zij vindt het onbegrijpelijk dat iemand in 1939 nog durft te schrijven over vrouwen die ‘zich geven’. Toch lijkt het me moeilijk te ontkennen dat deze uitdrukking in Het genadeschot op zijn plaats is. Wat doet Sophie anders dan zich uit liefde aan Eric geven? Zij biedt zich – letterlijk – aan hem aan. Wie dit als lezer niet wenst te accepteren, vindt zijn eigen (feministische?) moraal dus belangrijker dan wat het verhaal te zeggen zou kunnen hebben.

In Eric von Lhomond ziet Etty slechts een ‘onuitstaanbare verborgen homoseksueel en antisemiet [...] die zich walgelijk gedraagt jegens het hem aanbiddende meisje Sophie’. De nuances van het verhaal (waarvan er enkele door Yourcenar in het voorwoord worden aangewezen) zijn blijkbaar niet aan haar besteed geweest: de relativering van Erics antisemitisme (getuige de bewondering zijns ondanks voor de moeder van Grigori Loew en postuum voor Grigori zelf) noch de verzekering (uit de mond van Eric) dat de ‘ontmoedigende en tegelijkertijd onontkoombare neiging’ die hem niet toestaat de liefde van Sophie te beantwoorden ‘veel minder (bestaat) uit liefde voor jongens dan uit die voor eenzaamheid’.

Hier raken we aan het ‘aristocratisme’ waar Ger Groot in zijn bijdrage gewag van maakt en dat zo ongemakkelijk past in het huidige democratisch-humanistische tijdsgewricht. Ook dat zal Etty niet van vreugde hebben doen opspringen (in tegenstelling tot Groot, die juist het contrast tussen adeldom en humanisme fascinerend vindt), maar opnieuw geldt: dit kan moeilijk een literair argument worden genoemd. Etty’s enige literaire argument zit verscholen in het adjectief ‘nogal gekunsteld’ dat zij met betrekking tot Het genadeschot gebruikt. Maar wat is er gekunsteld aan deze novelle? Het verhaal is eerder simpel en overzichtelijk, behalve in psychologisch opzicht (daar wordt juist de afgrond opgezocht), net als bij de meeste tragedies. Want om een tragedie gaat het, zoals de schrijfster in haar voorwoord benadrukt. Bij zijn aankomst op het landgoed Kratowice vergelijkt Eric zich niet voor niets met Orestes in een tragedie van Racine. Zijn de tragedies van Racine ‘gekunsteld’ en kan dat als een diskwalificatie gelden? De vraag stellen is haar beantwoorden.

Wat Het genadeschot zo interessant maakt is dat we hier een schoolvoorbeeld hebben van een verhaal met een zowel onsympathieke als onbetrouwbare verteller. Dat betekent dat we dubbel op onze hoede moeten zijn. Halen we de biografie (van Josyane Savigneau) erbij, dan is duidelijk waar alles vandaan komt. In Het genadeschot heeft Yourcenar haar hopeloze liefde voor de homoseksuele schrijver André Fraigneau van zich af geschreven.

Natuurlijk, deze biografische sleutel is evenmin een literair argument, maar zij kan misschien wel wapenen tegen moralistische vooringenomenheid. Door zich als verteller met de ‘vijand’ te vereenzelvigen, heeft Yourcenar zichzelf gedwongen de zaak van twee kanten te bekijken. Ook het tragische karakter van het verhaal brengt dat met zich mee: ambiguïteit is het tragische element bij uitstek. Zo simpel ligt de relatie tussen Eric en Sophie niet, hij is veel meer met haar verbonden dan zijn ‘walgelijke’ (dixit Elsbeth Etty) gedrag op het eerste gezicht suggereert.

Dit kan eveneens biografisch geduid worden, als een vorm van wishful thinking. Maar belangrijker is het literaire effect: het verhaal krijgt er diepte door. En intensiteit, waardoor het op een schrijnende manier weet te betoveren. We worden verplaatst in even vreemde als elementaire wereld. Het decor helpt daar niet weinig aan mee: het isolement van het door burgeroorlog omgeven landgoed, te vergelijken met de situatie in W.F. Hermans’ novelle Het behouden huis, en de strijd van de Duitse vrijkorpsen in het Balticum, bekend van de meesterlijke roman Die Geächteten van Ernst von Salomon (die ook door Yourcenar zal zijn gelezen) en van het werk van Louis Ferron.

Het isolement fungeert als vergrootglas: alle futiliteiten vallen weg en wat overblijft is dat waar het voor de protagonisten werkelijk om gaat. De distantie tot het verguisde Duitse verleden daarentegen is vooral een uitdaging aan de ontvankelijke lezer. Hoe verder iets van je af staat, des te meer moeite moet je ervoor doen. De literatuur leeft daarvan, als zij tenminste iets meer wil zijn dan een bevestiging van onszelf en onze vooroordelen. De beloning? Die bestaat uit het avontuur van een tijdelijke, imaginaire gedaanteverwisseling, dat mij nog lang zal heugen. Een mooie pendant van wat Yourcenar zichzelf destijds heeft opgelegd om Het genadeschot te kunnen schrijven.

Dit is de vierde en laatste aflevering in de discussie over ‘Alexis & Het genadeschot’ van Marguerite Yourcenar. Discussieer mee via www.nrc.nl/ leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. PROGRAMMA 2007-2008:

Het dorp Stepantsjikovo (F.M. Dostojevski, okt.) – Bouvard en Pécuchet (Gustave Flaubert, nov.) – Jacobs kamer (Virginia Woolf, dec.) – Een man wordt ouder (Italo Svevo, jan.) –Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull (Thomas Mann, febr.) – Alexis & Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) – Huwelijksverhalen (August Strindberg, apr.) – Pnin (Vladimir Nabokov, mei)

    • Arnold Heumakers