In 30 jaar niet zo goed gehad

In de steden van China wordt over de inflatie luid geklaagd. Op het platteland niet. Miljoenen boeren profiteren van de hoge voedselprijzen. De nieuwe breedbeeld-tv is besteld.

Varkensvlees is in China een hoofdgerecht. En de vraag ernaar neemt volgens varkensboer Sun Yu Run alleen maar toe. Foto Bloomberg A pig is seen at a farm in Shueng Shui, in Hong Kong, China, on Wednesday, Aug. 15, 2007. Hong Kong's government is encouraging 90 percent of the city's hog farms to close, citing health risks as the population expands. That may leave the territory -- already reliant on China for four-fifths of its live pork -- more vulnerable to price swings as inflation and food scares roil the Chinese market. Photographer: Paul Hilton/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

De ijskast, schuin geparkeerd in een hoek van de woonkamer, is nieuw. Net als de vloer van dofglanzend beton, de kolossale spiegel en de rijstkoker.

„In de 30 jaar dat ik varkens fok, hebben we het nog nooit zo goed gehad. Het is voor het eerst dat we echt wat verdienen”, glundert Sun Yu Run (56), terwijl hij dampende thee inschenkt.

Op het erf van de varkensfokker in Zhangqiao, een gehucht in de provincie Anhui, 600 kilometer westelijk van Shanghai, ligt bij de waterput een eerder deze ochtend afgeleverde satellietschotel. Voor alle zekerheid heeft hij een waakhond aan het gevaarte vastgebonden. De nieuwe breedbeeldtelevisie zal ’s middag arriveren.

Terwijl de familie Sun zich een beetje luxe veroorlooft, klaagt consumerend China steeds luider over de voortdurende stijgingen van de consumentenprijzen voor varkensvlees (in februari 63,4 procent in een jaar), melkproducten (31 procent), eieren (21 procent) en kippen (31 procent).

Premier Wen Jiabao, die van inflatiebestrijding zijn economische topprioriteit in 2008 heeft gemaakt, kondigt de ene na de andere maatregel aan (prijscontroles, productiestimulering).

Maar tegen de stijging van de olieprijzen en de graanprijzen op de wereldmarkten kan ook Wen weinig beginnen en hij pleit ervoor de prijsstijgingen te aanvaarden als gevolgen van de marktwerking. Deze internationale prijzen bepalen voor een belangrijk deel ook de kosten van varkensboer Sun. Daar komt bij dat ook in China granen, ondanks recordoogsten in 2007, duurder zijn geworden door de gestegen vraag van ethanolproducenten.

Economen twisten intussen over de vraag of de maandelijkse stijgingen van de inflatie (8,5 procent in februari, waarschijnlijk 9 procent in maart) een tijdelijk of blijvend verschijnsel zijn. Een van de belangrijkste vragen daarbij is of de concurrentiepositie van China als lagelonenland door de stijgende inflatie op het spel staat.

De redenering luidt dat de voedselinflatie (‘agflatie’) zal doorwerken in de lonen en de prijzen van andere producten. „Is het tijdperk van China als lagelonenland voorbij”, vroeg The Economic Observer, een Chinees zakenblad, zich bezorgd af.

Jonathan Anderson, econoom van naam en verbonden aan de zakenbank UBS in Hongkong, vindt dat onzin. „China heeft geen inflatieprobleem, China heeft voedselinflatie, China heeft een voedselprijzenprobleem en preciezer, een probleem met de prijs van varkensvlees en gevogelte. Laat voedsel buiten beschouwing en de inflatie bedraagt nog geen 1 procent, al twaalf maanden lang stabiel. Voedselinflatie is een bovendien een tijdelijk verschijnsel. In de tweede helft van 2008 zullen de prijzen als gevolg van allerlei overheidsmaatregelen en marktfluctuaties weer dalen”, constateert hij de Far Eastern Economic Review.

Zelfs als de kerninflatie gedurende een reeks van jaren tot 4 of 5 procent stijgt, is er volgens Anderson betrekkelijk weinig aan de hand. Hard ingrijpen, zoals in de periode 1995-1996 toen de inflatie was gestegen tot meer dan 25 procent, is nog lang niet noodzakelijk.

„Daar ben ik het niet mee eens. Inflatie begint ergens. We zien nu al dat de inflatie overslaat naar de lonen. Hoge voedselprijzen leiden tot looneisen en die worden gehonoreerd. De prijsstijgingen zetten door naar andere producten en het zal zeker twee tot drie jaar duren voordat we in China de inflatie hebben teruggebracht tot een aanvaardbaar peil. Er kan beter nu ingegrepen worden dan dat er straks pijn geleden moet worden”, denkt Andy Xie, econoom in Guangzhou en verbonden aan het weekblad Caijing.

Deze discussie gaat over de hoofden heen van boer Sun, zijn broer, zijn inwonende zuster en haar man en de twee dagloners op de afgelegen boerderij aan het einde van een onverharde landweg met heuphoge kuilen. Hij behoort tot het leger van boeren op de 2,1 miljoen Chinese varkenshouderijen, die na jaren van lage prijzen, de Blauweoorziekte en milieumalheur – hijzelf moest van bedrijf wisselen omdat zijn eerste bedrijf te dicht bij het dorp lag en voor stankoverlast zorgde – de toekomst rooskleurig inzien.

„Iedere dag komen hier de ronselaars van bedrijven in Shanghai, Guangzhou en Hefei langs om te vragen of we niet in de industrie willen werken. Daar schreeuwen ze om handen. Er is mij al meer dan 30.000 yuan per jaar [2.700 euro, red.] geboden, maar ik ben liever eigen baas”, vertelt Sun, ongeveinsd trots.

Het bestaan van landman op een eigen, weliswaar zeer eenvoudige, boerderij trekt hem meer dan het leven van een voor Chinese begrippen goedbetaalde migrantenwerker in de stad. „Die stadsmensen in Peking en Shanghai die klagen over hoge prijzen, weten niet hoe arm wij het hier hebben gehad en hoe arm velen het nog steeds hebben.”

[Vervolg BOEREN: pagina 14]

BOEREN

Boer Sun heeft geen boodschap aan analyses van economen

[Vervolg van pagina 13] Suns vrouw serveert intussen vissekoppen in pittige sojasaus, schotels met dampende bamboescheuten, knoflook en spinazie, gepofte kastanjes, fijngehakte kip met uitjes en noedels.

Smakkend etend vertelt Sun dat hij wel snapt dat de zorgen over de sinds maart 2007 snelgestegen inflatie het belangrijkste economische thema is in China. „Maar onze kosten voor voedergranen, dieselolie en medicijnen stijgen ook voortdurend. Mogen wij ook wat verdienen? Bovendien, de vraag naar varkensvlees neemt alleen maar toe”, zegt Sun, die voor de gelegenheid glazen met maotai, een soort brandewijn, op tafel heeft gezet met een enthousiast: „Ganbei”.

Hoeveel hij nu precies verdient, wil hij, ook als de fles half leeg is, niet kwijt – boeren blijven boeren, aangeschoten of niet. Wel wil hij erover kwijt dat hij de in 2006 afgesloten bankleningen van in totaal 500.000 yuan voor meer dan de helft heeft afgelost. Het resterende bedrag zal in oktober van dit jaar zijn afgelost. Snoevend vertelt hij hoe hij met de identiteitskaarten van zijn familieleden de bank meer leningen heeft weten te ontfutselen dan wettelijk is toegestaan.

Verder profiteert hij volop van de overheidsmaatregelen om de prijsstijgingen van varkensvlees te matigen door de productie en daarmee het aanbod te verhogen, een klassieke maatregel. Boeren als Sun betalen, ook nu zij een goed inkomen verdienen, geen yuan aan belasting en kunnen rekenen op tienduizenden yuans uit Peking voor bouwmaterialen, zeugen en ziektepreventie.

Bij zijn overbuurman, in het midden van grijze akkers met maisstoppels, zijn de nieuwe stallen al gereed. Sun zelf is nog volop aan het metselen en betonstorten. Hij bouwt een moderne stal met automatische drinkbakken, ontsmettingsgoten bij de ingangen en ventilatoren om de nieuwe zeugen en beren af te koelen als straks de verzengende zon gaat schijnen.

Hij heeft veel geleerd toen zijn varkens een paar jaar geleden stierven aan de Blauweoorziekte. De veearts in Zhangqiao wist niets van epidemiebestrijding, laat staan preventie, en de verzekering liet hem, ondanks trouwe afdracht van jaarlijkse premies, helemaal in de steek. Van de toegezegde overheidssteun voor de wederopbouw van zijn bedrijf heeft hij destijds geen mao (Chinese munteenheid, vergelijkbaar met een eurocent) ooit gezien.

Zijn grootste zorg is op dit moment de beschikbaarheid van diesel. Zonder diesel vallen de aggregaten stil, zonder elektriciteit werken de waterpompen niet, is er geen licht, kan mest niet in de omringende sloten worden gepompt en kan hij geen voedselgranen ophalen op de markt. Diesel is in Anhui en andere centraal gelegen rurale provincies op de bon gezet, overal vormen boeren en vrachtwagenchauffeurs lange rijen bij de pompen.

Door de economische groei van ruim 11 procent kunnen de olie- en raffinagemaatschappijen de vraag niet aan. Zij hebben opdracht gekregen eerst de grote industriegebieden en steden te bevoorraden.

Dat de varkensboeren in Anhui, een van de armste provincies van China, in betere doen raken is overal zichtbaar. Bij de kippenboeren is dat nog niet het geval. Ook zij zijn vrijgesteld van belastingbetaling, maar worden niet gesubsidieerd en verdienen relatief minder dan de varkensboeren.

Cao Guangchun (42) in Yongkang, eigenaar van 18.000 legkippen in een opmerkelijk zindelijke boerderij, overweegt anders dan varkensboer Sun wel te stoppen, omdat hij zonder overheidssteun werkt en volledig afhankelijk is van de marktprijzen.

„Voor de consumenten zijn onze producten een stuk duurder geworden, maar ik zie daar als gevolg van de gestegen kosten van voedselgranen en diesel, weinig van terug. Ik verlies al maandenlang geld. Ik denk aan stoppen”, bromt hij wat onwillig.

Dat is precies wat de autoriteiten in Peking hopen te voorkomen. Immers, als Cao en met hem duizenden andere eierproducenten stoppen dan verkleint het aanbod en stijgen de prijzen verder. Daarom kunnen ook de kippen- en eierproducenten vanaf april op overheidssteun rekenen. De staat heeft geld genoeg om probleemloos miljarden yuans naar de kippenboeren te sluizen, maar Cao moet nog zien wat daarvan bij hem terechtkomt.

De aanbiedingen om het landleven te verruilen worden steeds aanlokkelijker en komen niet alleen van bedrijven in de verre delta’s van de grote rivieren, maar ook uit de provinciehoofdstad Hefei, 170 kilometer zuidelijker. Dichter bij huis dus. Rondom het stadje Yongkang liggen tientallen dorpen met hutten van bruine aarde en stro er verlaten bij. Op de onverharde weggetjes lopen alleen bejaarden, jonge kinderen en vrouwen. De meeste jongens en mannen zijn vertrokken naar de grote steden, hun boerenbedrijfjes verkeren in haveloze toestand.

Econoom Andy Xie: „De trek van het platteland naar de stad is een structureel verschijnsel. Steeds meer boeren stoppen en dat leidt tot verkleining van het aanbod en verhoging van de prijzen. Er is ook steeds minder landbouwareaal beschikbaar, omdat de steden en fabrieksterreinen worden uitgebreid. De overheid doet van alles, maar voordat investeringen in nieuwe varkensfokkerijen, in moderne, efficiënte legboerderijen resultaten gaan opleveren, zijn we een paar jaar verder.”

De gestaag stijgende lonen – ongeveer 15 procent per jaar – zijn niet alleen het gevolg van de voedselinflatie, maar van nieuwe economische activiteiten, niet alleen aan de oostkust, maar ook in het westen.

Naast de stallen met groenten, paddestoelen, kruiden en vers vlees op de markt van Yongkang hebben bedrijven uit Hefei, Shanghai, maar zelfs ook uit het bijna 2.000 kilometer westelijker gelegen Chengdu posters opgehangen om arbeidskrachten te werven.

Er worden medewerkers gevraagd voor de bouwprojecten, een fabriek van mobiele telefoons zoekt monteurs, een werf in Shanghai heeft lassers nodig. Op wervingsplakkaten worden lonen beloofd die oplopen van 1.500 tot 2.000 yuan per maand (136 tot 181 euro) en twee weken vakantie per jaar. Soms zelfs doorbetaald. Naar Chinese maatstaven aanlokkelijke aanbiedingen.

In de Parelrivierdelta keerde ruim 10 procent van de migrantenwerkers na het Chinese Nieuwjaar in februari niet terug, omdat zij elders, vaker dichterbij huis, beter betaald werk hadden gevonden. De stijgende inflatie, al dan niet opgedreven door de prijs van varken en kippen, de daaruit voortvloeiende loonstijgingen en de krapte op de arbeidsmarkt leiden in sommige sectoren al tot problemen.

Met name fabrikanten van textiel, sportkledij en schoenen in de Parelrivierdelta dreigen hun fabrieken te sluiten en te verplaatsen naar Vietnam, ook omdat zij de nieuwe Arbeidswet met regels voor beloning, vrije tijd en pensioenregelingen te duur vinden. Volgens bedrijfsorganisaties zouden 15.000 ondernemingen dit jaar China verlaten.

Andy Xie: „Dat zijn de bedrijven die allang werkten met zeer smalle marges. Zij kunnen de stijgende kosten niet meer opvangen door de productiviteit te verhogen, zoals in andere sectoren wel het geval is. Maar ik denk dat ook de rendementen in andere sectoren – staal, chemie en de exporterende bedrijven – onder druk komen te staan. China zal zijn concurrentiekracht de komende jaren niet snel verliezen, want we zijn nog altijd 25 procent goedkoper dan Mexico en er is bovendien een sterk stijgende binnenlandse vraag. Maar het inflatieprobleem afdoen als een tijdelijk en beperkt verschijnsel is kortzichtig. Bedrijven zullen nog meer dan al het geval is genoegen moeten nemen met lage rendementen. Het varkenslapje moet echt goedkoper worden, want anders ontstaan er serieuze problemen”.

Dat zijn analyses die boer Sun Yu Run niet wil horen. Lichtjes wankelend van het sterke spul – maotai bevat 55 procent alcohol – dat hij bij het eten inschonk, poseert hij bij het afscheid voor de ingang van zijn boerderij. Op de stalen deuren, links en rechts, hangen verbleekte banieren met de teksten: ‘Varkens fokken op een wetenschappelijke manier en rijk worden door hard werken’.

Hij wijst naar de twee karakters voor ‘rijk’ (fu yu) en steekt zijn duim omhoog.

    • Oscar Garschagen