Het oordeel is aan de rechter én jury

Te duur, te ingewikkeld – het oordeel van de Tweede Kamer over juryrechtspraak staat eigenlijk al vast.

Zo blijven we juridisch het buitenbeentje van Europa.

illustratie Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

Op 13 juli 2007 deelde minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) de Tweede Kamer mee dat hij afzag van het invoeren van een vorm van lekenrechtspraak in het strafrecht. In december sloot de Tweede Kamercommissie voor Justitie zich daarbij aan. Daarmee is een belangrijk onderwerp ten onrechte van tafel geveegd.

Aanleiding was het rapport van prof. mr. Th. A. de Roos. Het invoeren van lekenrechtspraak zou een grote breuk betekenen met de Nederlandse rechtstraditie en nopen tot een ingrijpende wijziging van het strafprocesrecht met aanzienlijke financiële en organisatorische gevolgen, aldus het rapport. En daarvoor bestaat geen dwingende noodzaak, concludeerde de minister. De politiek miskent zo dat er een alles overstijgend argument voor de invoering van juryrechtspraak is, dat tot dusver nauwelijks een rol heeft gespeeld. Wij zijn het aan onze democratische rechtsstaat verplicht om – net als in de wetgeving en het bestuur – ook in de rechtspraak een vorm van burgerparticipatie in te voeren.

Nederland is, als vrijwel enige westerse democratie zonder burgerparticipatie in de rechtspraak, het buitenbeentje van Europa. Nederlandse rechters worden niet democratisch geselecteerd en een corps van beroepsrechters zal nooit een redelijke afspiegeling van de maatschappij te zien geven, al was het maar omdat node een representatief aantal allochtone strafrechters wordt gemist.

Een ‘breuk’ met onze rechtstraditie vormt op zichzelf geen argument tegen burgerparticipatie in de strafrechtspraak. Als er een goed argument voor juryrechtspraak is – en dat is er – moet er maar met die traditie worden gebroken. Een andere dooddoener is de opvatting dat juryrechtspraak niet zou passen in de Nederlandse cultuur. In allerlei sectoren van onze samenleving is sprake van burgerparticipatie bij de overheidsbesluitvorming. Daarbij past het meedoen van de burger in strafzaken.

Jurystrafrechtspraak is goed in te passen in de huidige wet, zonder dat de immense en kostbare hervormingsoperatie is vereist waarvoor de minister vreest. De aanpassingen van de wet kunnen beperkt zijn. De bepalingen over beraadslaging en uitspraak zullen enigszins moeten worden gewijzigd. Geregeld zal moeten worden op welke punten de jury unaniem moet zijn in zijn oordeel en wanneer kan worden volstaan met een meerderheid en welke. Verder zal de wet moeten worden uitgebreid met bepalingen rond de selectie en werkwijze van de jury. De wetgevende arbeid behoeft niet omvangrijk te zijn, omdat voorbeelden kunnen worden ontleend aan de wetgeving van andere landen.

Het is overigens niet noodzakelijk dat aan iedere strafzaak een jury te pas komt. Aan de eis van burgerparticipatie wordt voldoende tegemoetgekomen als het juryproces alleen wordt toegepast in de ernstigste zaken. Verreweg de meeste zaken kunnen op de traditionele wijze afgedaan blijven worden.

De jury dient in de eerste plaats een oordeel te geven over het daderschap. Om te kunnen beslissen of de verdachte het misdrijf heeft gepleegd is geen speciale deskundigheid vereist die alleen beroepsrechters zouden hebben. In principe kan iedereen feiten vaststellen en omstandigheden waarderen. Men hoeft niet over bijzondere kennis of vaardigheden te beschikken om overtuigd te worden van de schuld van de verdachte, noch om daaraan te twijfelen. Anders is ook niet te verklaren dat in zo veel landen juryrechtspraak bestaat.

Natuurlijk komen ook in jurystelsels dwalingen voor; juryrechtspraak is geen medicijn tegen alle kwalen. Maar de democratische legitimatie van het juryoordeel zal onvrede in de samenleving over een ten onrechte gegeven vrijspraak kunnen temperen, omdat de burger heeft meebeslist.

Er is geen goede reden om de strafmaat niet ook aan de jury over te laten. Aan de beroepsrechter dienen echter wel de formeel juridische beslissingen voorbehouden te blijven. Ook de vraag of het bewijs rechtmatig is verkregen dient door de beroepsrechter beantwoord te blijven worden. Diegenen die moeilijk aan de gedachte van invoering van juryrechtspraak kunnen wennen, moeten zich realiseren dat, procedureel gezien, de beroepsrechter ook in het juryproces de centrale figuur blijft – niet alleen als voorzitter en regisseur van de terechtzitting, maar ook als neutrale mentor die de jury instrueert. Alleen zeer ervaren beroepsrechters zullen die taak kunnen vervullen.

De minister meent dat aan de invoering van juryrechtspraak hoge kosten zijn verbonden. Dit is wel het zwakste argument waarmee men zich tegen de invoering van juryrechtspraak kan weren. Voor het bevorderen van het democratische gehalte van onze rechtsstaat zou geen prijs te hoog moeten zijn.

Invoering van jurystrafrechtspraak zal de sociale integratie en cohesie in de samenleving bevorderen. De afstand van de burger tot het strafrecht zal worden verkleind. De samenleving zal veel meer het gevoel krijgen dat ook de rechtspraak van de burger is. Het als jurylid participeren in een strafproces kan bovendien worden gezien als de vervulling van een burgerplicht waaraan in onze geïndividualiseerde samenleving behoefte is. Men dient zich niet uit het veld te laten slaan door de gemakzucht van de minister en de kortzichtigheid van de Tweede Kamer. Het onderwerp verdient weer een plaatsop de agenda.

Mr W.M. van den Bergh is vicepresident van de rechtbank Amsterdam. Dit is een ingekorte versie van een artikel dat eerder verscheen in Socialisme en Democratie (nr.1/2 2008) en Trema (maart), het blad van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. De auteur schreef het artikel op persoonlijke titel.