Het lefgozertje onder de jongere Spaanse schrijvers

Montero Glez: Als de nacht dwingt. Uit het Spaans vertaald door Adri Boon. De Arbeiderspers, 207 blz. € 18,95.

Glez is in Spanje een gangbare afkorting voor de achternaam González: voor een schrijver met lef geen opwindende naam om onder bekend te worden. En lef had Roberto Montero González vanaf zijn eerste publicaties. Dus verschenen zijn verhalen en krantenstukken onder hard-boiled fantasienamen als Bob Hunter, Aldo Monterini of Roberto del Sur.

Onder het halfpseudoniem Montero Glez verschenen zijn romans, een viertal tot nu toe. Als de nacht dwingt (uit 2003) begint in het uiterste zuidpuntje van Andalusië: ‘Soms waait het zo hard dat de wind de maat op de schoenen vervaagt.’ Wiens schoenen? Die van de man die het hele boek lang alleen maar als ‘de reiziger’ wordt aangeduid en die nu dood op de kade van havenstadje ligt, geveld door een geweerschot van God weet wie.

Vanaf dat eindpunt begint Montero Glez zijn verhaal te reconstrueren. Dat levert een schelmenroman op met verdachte bordelen, louche bars en de goot als voornaamste decor en hoeren, travestieten en huurmoordenaars als hoofdrolspelers. Daarin dwaalt ‘de reiziger’ enigszins onbestemd rond, bij toeval in het bezit gekomen van een schatkaart die hem rijk moet maken. Maar het Marokko waar het bewuste kruisje gezet is bereikt hij nooit.

Erg waarschijnlijk is dat plot niet – en dat hoeft ook niet. Regelmatig laat Montero Glez weten hoeveel het verhaal te danken heeft aan de grote duim van de verteller ervan: de kruimelcrimineel Luisardo die de hele geschiedenis op een landerige avond opdist aan een af en toe in het boek verschijnende ‘ik’ van wie we verder niets te weten komen. Niets is er wáár van het verhaal dat we over de reiziger horen, behalve zijn dood, waarvan Luisardo toevallig getuige was.

Dat dit chaotische verhaal vol onwaarschijnlijkheden niettemin nooit verveelt, heeft niet zozeer te maken met de obscene goorheid (‘een wijf met een hart vol etter en een ziel vol platjes’) die in het vocabulaire van dit pooiertje en drugsdealertje ongetwijfeld thuishoort. Het is vooral te danken aan het weergaloze verteltalent van Montero Glez, die zich met een Schwung die ogenschijnlijk de hele wereld de bout kan hachelen ontpopt als het lefgozertje onder de jongere Spaanse schrijvers.

Moeiteloos trekt Montero Glez de lezer Luisardo’s verzinsels in en uit en straffeloos ondermijnt hij diens woorden (‘zo fantaseerde Luisardo maar door’) zodra ze zijn uitgesproken, als een goochelaar die zijn trucs al onthult terwijl hij ze nog aan het uitvoeren is. De toeschouwer staat er met even open mond naar te kijken als de lezer die zich bij de tweede lezing van het boek nog meer overbluft ziet door zoveel durf. Het kleverige bad van bloed, zweet, sperma en bederf waarin de schrijver hem kopje-onder duwt neemt hij daarbij op de koop toe.