Het bloederige atelierdrama rondom de ‘Medusa’

Jonathan Miles: The Wreck of the Medusa. Jonathan Cape, 334 blz. € 31,–

Jonathan Miles: The Wreck of the Medusa. Jonathan Cape, 334 blz. € 31,–

In juni 1816 vertrok het grote Franse oorlogsschip de Medusa uit Rochefort naar Senegal, om het bestuur over te nemen van de Britten die deze Franse kolonie tijdens de oorlogen met Napoleon hadden bezet. Waarschuwingen negerend stuurde de incompetente kapitein zijn schip op de beruchte Arguin- zandbank voor de kust van de westelijke Sahara. En dat was het begin van een gruwelijk drama, dat Théodore Géricault inspireerde tot een wereldberoemd geworden schilderij.

De evacuatie van de Medusa verliep chaotisch. Omdat er niet genoeg reddingsboten waren, werd een vlot gebouwd, van twintig bij zeven meter, waarop 147 mensen werden afgezet. Het vlot slepen was niet mogelijk, daarom moest het aan de golven worden prijsgegeven. Het werd pas na twaalf helse dagen van muiterij, dronkenschap, woeste gevechten, moorden en kannibalisme getraceerd. Er bleken vijftien overlevenden te zijn.

In zijn doorwrochte boek besteedt de Amerikaans-Britse in Parijs wonende auteur Jonathan Miles veel aandacht aan de onfrisse politieke aspecten van het Medusa-schandaal. Dat bereikte een nieuw hoogtepunt toen Géricault terugkeerde uit Italië en korte tijd later een doek zou schilderen over het drama.

Géricault, 26 jaar oud, was destijds naar Italië vertrokken om een minnares te vergeten. Als puber al was hij verliefd op de mooie, 22-jarige Alexandrine, net gehuwd met zijn veel oudere, behulpzame oom. Maar in Italië kon hij de hartstochtelijke relatie niet van zich af zetten. Na zijn terugkeer in Parijs werd Alexandrine zwanger en het kind werd hun direct na de geboorte (1818) werd afgenomen. Géricault, die ook voorgoed afscheid van Alexandrine moest nemen besloot toen de Medusa-catastrofe te visualiseren.Hij liet zich kaal knippen, huurde een atelier in een buitenwijk van Parijs, nabij het hospitaal Beaujon. Daar kon hij beschikken over lichaamsdelen van overledenen, zodat de moord en doodslag op het vlot min of meer natuurgetrouw kon worden weergegeven.

Omringd door gothic horror begon Géricault aan zijn omvangrijke doek van bijna vijf bij ruim zeven meter. Componist Hector Berlioz, destijds een medisch student, schrok in Géricaults atelier zo van de half open schedels, bloedplassen en afschuwelijke stank dat hij door een raam sprong om snel weg te komen. Ook de jonge schilder Eugène Delacroix, die als model poseerde, hield het er niet uit. Tot de weinige bezoekers behoorden verder nog enkele overlevenden van de schipbreuk die door Géricault werden uitgehoord. Diens belangrijkste bron was een andere held, die in dit excellente boek van Jonathan Miles uitgebreid aan de orde komt, ene Alexandre Corréard. Die dreef vanaf vanaf 1818 in het Palais Royal met succes een boekhandel met de naam ‘Bij het Slachtoffer van de Schipbreuk van de Medusa’ en hijzelf had eerder een boek over de ramp geschreven.

Na acht maanden was ‘Scène van een schipbreuk’, zoals de oorspronkelijke titel van het doek luidde, voltooid, net op tijd voor de Salon van 1819 in het Louvre. Géricaults uitbeelding van het drama was de cause célèbre van de expositie, al keurden critici zijn romantische visie en sombere kleuren af. Toen het datzelfde jaar in Engeland te zien was, kwamen er 50.000 belangstellenden op af.

Géricault mocht niet meer meemaken dat het Louvre in 1824 zijn ‘Medusa’ aankocht en dat het meteen tot de topstukken van de collectie werd gerekend. Eerder dat jaar was hij op 32-jarige leeftijd aan tuberculose overleden. Rond 1850 hebben twee andere Franse schilders Géricaults meesterwerk gekopieerd omdat het door de bitumenverf sterk verdonkerde. Dat ‘tweede’ vlot hangt nu in het Musée de Picardie in Amiens, in de heldere kleuren die men bij de Salon van 1819 moeten hebben waargenomen.