Hans Kesting zien sterven gaat niet zonder subsidie

Toneelspelen zonder subsidie blijft een moeizame onderneming, zo bleek weer deze week, toen producent Joop van den Ende besloot te stoppen met toneel, wegens te veel verlies.

Toch is Van den Ende eerder een trendbreker dan een trendsetter. Andere vrije producenten slagen er juist steeds beter in om naast kluchten ook kunsttoneel te maken, en onderscheiden zich zo steeds minder van de gesubsidieerde gezelschappen. Als je de productie maar bescheiden houdt (één miljoen verliezen met twee toneelstukken, zoals Van den Ende, is nogal sterk) en zorgt voor sterren in de cast, of in ieder geval een beroemde titel, dan kun je als vrij gevestigde wel rondkomen. Nee, Brecht en Hamlet zijn niet bekend van radio en televisie. Maar Knielen op een bed violen en Carice van Houten wel.

Vrije producent Pim Wallis brengt een toneelversie van een roman, Sándor Márais’ De gravin van Parma, over de confrontatie van Casanova met de ware liefde. Wallis deed een goede vangst met een echte ster, Carice van Houten, en een toneelreus die een ster zou moeten zijn: Pierre Bokma. Deze match made in heaven werkt echter niet: Bokma speelt zijn grote zelf, maar Van Houten stelt enigszins teleur. Misschien past zo’n statisch, literair stuk niet bij haar verfijnde lichtheid met nuchtere grondtoon.

Ongesubsidieerd kunsttoneel kan bestaan, grote namen als Bokma en Van Houten kun je inkopen, maar tot nu toe blijft het resultaat goed, maar voorspelbaar, en zelden geweldig. Wellicht komt dat door de angst om het nodige grote publiek voor het hoofd te stoten. Om uit de kosten te komen, moet je zo’n 30.000 kaartjes verkopen.

Gezelschap Het Toneel Speelt is ongesubsidieerd begonnen, maar krijgt inmiddels een bescheiden subsidie. Het gezelschap leeft vooral van de toneelstukken van Maria Goos. Deze maand bracht zij het slot van haar vierluik De geschiedenis van de familie Avenier. Als geheel is dit epos een mislukking, maar wel een met veel hoogtepunten. En met een groot, fantastisch spelend ensemble; ondenkbaar zonder geldsteun.

De behoorlijk gesubsidieerde Toneelgroep Amsterdam brengt de lange voorstelling Angels in America van Tony Kushner, over de aidsepidemie van de jaren tachtig. Regisseur Ivo van Hove koos voor geen decor; hij geeft het toneel helemaal terug aan zijn acteurs. De grote Hans Kesting kan wel wat ruimte gebruiken, vooral voor zijn gedenkwaardige sterfscène met schijnfinale: hij dweilt worstelend over de vloer, doet net alsof hij dood is, barst dan uit in Homerisch gelach, en crepeert alsnog.

Waarom is zo'n prachtige voorstelling voor een vrije producent ondenkbaar? Toneelgroep Amsterdam krijgt 5,6 miljoen subsidie per jaar en onderhoudt daarvan, als enige in het land, een groot vast ensemble, met acteurs die geen sterren zijn. Dankzij de subsidie kan de groep grote, dure voorstellingen maken voor een beperkt publiek. Op de vrije markt zou Angels in America in deze opzet een commerciële zeperd zijn. Moeder Courage, het mislukte toneelstuk van Joop van den Ende, trekt dit seizoen twee keer zoveel bezoekers.

    • Wilfred Takken