Gras voor de voeten

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week een ‘stadioninventarisatie’

Ferry Reurink: Het stadioncomplex. Alle terreinen waar in Nederland betaald voetbal is gespeeld. De Arbeiderspers / Het Sporthuis, 622 blz. € 45,–.

Er is geen officiële regeringsopdracht aan voorafgegaan, en ook geen wetenschappelijke onderzoeksvraag, maar toch ligt het voor me op tafel: een uitputtend overzicht van alle terreinen waar in Nederland betaald voetbal is gespeeld. Je kunt je afvragen: was daar dan behoefte aan? Maar waarom de vraag stellen als het antwoord er al ligt. Ferry Reurink (1973) had uit liefhebberij alle gegevens over die 113 terreinen al verzameld toen de uitgever hem tegen het lijf liep. Zijn verzameling zag er zo overtuigend uit dat men meteen tot drukken besloot. Een inventarisatie kan nu eenmaal een doel in zichzelf zijn: het is in kaart gebracht, het is niet onopgemerkt gebleven. Ziehier de zijnsgrond van iedere kaartenbak of database.

Resultaat: een loodzwaar boek van ruim anderhalve kilo, 622 bladzijden glanspapier. Per terrein vind je alles over de geschiedenis, de architectuur, de club en de toeschouwers, aangevuld met plattegronden, foto’s en anekdotes. Je zou er zelf groundhopper van worden, als Reurink al niet alle (kunst)gras voor je voeten had weggemaaid. Spreken wij van een standaardwerk. Dus bladeren maar. Kijken naar de tribune van Dudok, in Hilversum. Naar de tribune van Be Quick, in Haren, ontworpen door Evert van Linge, tevens eerste-elftalspeler. Naar de ‘Engelse’ tribune van Heracles, uit 1924: een tribune als een huis, met raampjes opzij en een gezellig dak erop. Elders zie ik heren op een uitgestrekt veld, aan de rand publiek op banken, onoverdekt, rijen dik. Achter hen rijst een hoge toren op, en een kasteel. Het zou al bijna een riddertoernooi kunnen zijn, maar het is een voetbalwedstrijd van Rigtersbleek, de vereniging van de gelijknamige textielfabriek in Enschede. Het bijbehorende rietgedekte sportpaviljoen lijkt op een jachthuis in een park. Vergelijk daar de ArenA eens mee: een gesloten doos, met een parkeergarage en een weg eronderdoor, een grasmat op een betonnen verhoging en een afsluitbaar dak.

In de loop van vijftig jaar heeft het betaalde voetbal zich verplaatst van open terreinen met een enkele losse tribune naar dichte stadions, en vervolgens naar multifunctionele stadioncomplexen met kantoren, garages en winkels erin of ernaast. In de loop van vijftig jaar is er dus ook veel verdwenen. Bij Rigtersbleek wordt geen betaald voetbal meer gespeeld. Bij De Valk (Valkenswaard) en Zwartemeer (Klazienaveen) en Sportclub VVV ’03 (Baarlo) ook niet meer. Van de 80 clubs uit 1956 zijn er nu nog maar 38 over. Reurink heeft veel gevoel voor de dramatiek van vervallen tribunes, verroeste hekken en overwoekerde staantreden, en hij maakt er mooie foto’s van. Ik zie een maïsveld met een klein bakstenen gebouwtje: het is het oude kaartlokethuisje van VV Zeist, ‘nu in gebruik als schuur’. Met iets minder inleving schrijft hij over de paarse plastic kuipstoeltjes, de prefab tribunes en het glimmende kunstgras van het nieuwe Mitsubishi Forklift Stadion in Almere.

Niemand zat erop te wachten, maar nu deze stadionbijbel er is kunnen we niet meer terug. Misschien werkt Reurink nu al aan een nieuw standaardwerk dat bij verschijning in een andere nog niet voorziene behoefte zal blijken te voorzien. Voorstel: alle terreinen in Nederland waar geen betaald voetbal is gespeeld.

Ferry Reurink: Het stadioncomplex. Alle terreinen waar in Nederland betaald voetbal is gespeeld. De Arbeiderspers / Het Sporthuis, 622 blz. € 45,–.