Geloof in de kunst – een paasverhaal

Met Pasen zitten de kerken vol dagjesgelovigen en hallelujah-toeristen, maar voor de meeste mensen is het niet meer dan een verlengd weekend. Je moet God ook niet willen opzoeken. Hij vindt je vanzelf. Zo reizen wij met een gerust hart af naar Antwerpen – naar het land waar de premier ‘verdomme’ zei toen de beste schrijver van het land overleed.

Paaszaterdag begint met There will be blood. In die film neemt een oliebaron het een eeuw terug op tegen een prediker. Deze dwingt de ander tot bekering. Het loopt uit op doodslag, waarbij de zelfbenoemde profeet zijn God moet loochenen en dan alsnog wordt omgebracht.

Op de dag na Goede Vrijdag doet de parallel opzichtig aan. Daarbij: het evangelie van de oliebaron – geld, succes, méér geld, méér succes – spiegelt dat van Jezus. De afgedwongen bekering en loochening zijn ingelaste taferelen in hun lijdensweg – een vijftiende statie bij de veertien die traditiegetrouw de kruisweg van Jezus verbeelden.

Vervolgens bezoeken wij het ‘Dissonant festival’ – een avond voor vernieuwende popmuziek. De eerste act is het Vlaamse Go_Tell: tien jonge zangeressen en één man op keyboards en synthesizers. Aan zijn instrumenten onttrekt hij de meest vreemdsoortige beats en klanktapijten. Het koor schurkt daar tegenaan en sleept zich erover heen. Per lied stapt er een soliste naar voren en zo ontstaan stem en tegenstem volgens het chaingang-model: traag, gedragen, soms almaar versnellend en de hoogte in, in vervoering – de luisteraar meenemend.

De mix van beats en koor is krankzinnig, en van een ongehoorde pracht. Mooi gezongen, beaamt mijn gezelschap, maar het blijft gospel. Pas dan luister ik beter naar de tekst. De Amy-lookalike zingt dan wel ‘A long way from home’ en ‘Sometimes I feel like I’m always gone’, maar het koor metselt er een almaar herhaald ‘True believer’ tegenaan.

Zijn vrouwen die spirituals zingen zelf in de Heer? Er is ook EO-hardrock, maar dit gezelschap klinkt al te avant-garde. En niet alle gelovigen dragen coltruien, maar die tien kekke, diep uitgesneden zwarte jurkjes wekken toch andere gedachten. Anyway, dit is goede muziek: Go tell it on the mountain.

Eerste Paasdag bezoeken we het Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, voor de tentoonstelling van Jan Cox – vorige week aangeprezen in het vernieuwde selectiedeel van dit supplement. Cox (1919-1980), een vriend van Claus, maakte kleurrijke schilderijen, tussen abstract en figuratief in. Soms is het werk bijna surrealistisch en ontbeert het coherentie, maar wel voel je dat deze schilder per se iets wilde uitdrukken.

In de derde zaal vangen twee doeken onze blik. De eerste lijkt een rode wond in de lucht, boven een hoge blauwe golf. Het doek ernaast is zwart met niet meer dan een groene veeg die uitloopt in een driehoekje – als de kop van een struisvogel.

Na lezing van de titels kijken we anders. Ze heten De olijfberg en Judas verhangt zichzelf. Veertien schilderijen hangen er in de zaal, de statiën van de kruisweg volgens Cox. Weken na voltooiing van deze reeks – getiteld De martelgang – maakt Cox een einde aan zijn leven.

Tweede Paasdag breekt er brand uit op het station van Antwerpen. Er zijn enkele gewonden. Station en de naastgelegen dierentuin worden ontruimd. De voorzienigheid maande ons al eerder huiswaarts.

    • Ron Rijghard