Games verdringen beeld echte oorlog

Het Amerikaanse leger traint soldaten met simulatiegames.

Filmmaker Réne Seegers onderzoekt de invloed van de gamecultuur op een oorlog.

In de gymzaal van een Amerikaanse highschool klinkt een gezellig swingmuziekje. In het kader van beroepsvoorlichting houdt het Amerikaanse leger er een open dag. Naast soldaten die sit-ups en push-ups demonstreren, poseert een meisje van een jaar of zeventien met een helm op haar hoofd en een MK16-geweer in haar handen. Het ding maakt haar bang, zegt ze. Ze smijt het op een tafel. Het wapen lijkt niet te passen in haar realiteit.

Aan de andere kant van de zaal gaat dat niet op. Daar staat een aantal laptops, en met name de jongens verdringen elkaar om de videogame America’s Army te kunnen spelen. Dit is een zogenoemde multiplayer First Person Shooter-game dat werd ontwikkeld door het Amerikaanse leger om te rekruteren en te trainen. Spelers vormen teams, leren wapentuig kennen en worden getraind in tactische manoeuvres.

America’s Army is ook marketinggereedschap voor het Amerikaanse leger. Daarom is het spel tamelijk politiek correct. In America’s Army zul je geen bloed zien, hooguit een rood ballonnetje, en de vijand is altijd een niet met name genoemde tegenstander. Vagelijk zijn wel associaties te maken met de oorlog in Irak, zoals bijvoorbeeld het landschap in het spel. Maar duidelijke verwijzingen naar de ‘War on Terror’, zoals die bijvoorbeeld wel voorkomen in Call of Duty 4: Modern Warfare, met zeven miljoen verkochte exemplaren dé kersthit van vorig jaar, zijn er niet.

In de film Wargames, aanstaande maandag uitgezonden door VPRO’s Tegenlicht, onderzoekt filmmaker René Seegers de invloed van de game-cultuur op de moderne Amerikaanse oorlogsvoering. Die is niet gering. Dàt die games er zijn, waarin spelers zich uitleven in het ‘doodschieten’ van andere spelers, is inmiddels onderdeel van een wereldwijde cultuur. „Daarvan mag je vinden wat je wil. Wat steekt, is de annexatie van die cultuur door een organisatie als het Amerikaanse leger, een hiërarchisch georganiseerd staatsorgaan met een monopolie op geweld”, zegt David Nieborg, docent Mediawetenschappen aan de universiteit van Amsterdam, in een telefonisch interview.

Het leger gebruikt het spel ook om soldaten voor te bereiden op toekomstige gevechtssituaties. Daarbij raakt het spelelement al snel op de achtergrond, aldus Nieborg. „Soldaten die het spel spelen, doen dat niet vrijwillig. Vooraf trainen ze dagenlang, gericht op het spelen. Dan mogen ze een aangepaste versie van het spel doen. En daarna worden ze enorm gedrild: waarom deed je dit, waarom deed je dat? Het heeft nog maar weinig met spelen te maken.”

Door het gebruik van games in de oorlogsvoering is ook de beeldvorming over een oorlog veranderd. Het Amerikaanse leger bemoeit zich niet alleen met spellen, maar adviseert ook bij oorlogsfilms. Dat kan het productiebudget van een film behoorlijk drukken. Nieborg: „Wat je in een spel ziet, kun je ook in een film op tv of in de bioscoop tegenkomen. Het mediadieet van veel jongeren bestaat niet alleen uit spellen, er zijn ook tv en film. Maar alle beelden die wij hier zien van de oorlog zijn in meer of mindere mate gecensureerd door het leger. De nadruk ligt daarbij vooral op de techniek van de oorlog. Nooit op de sociaal-culturele aspecten ervan. Je ziet bijvoorbeeld nooit hoe die stoere jongens ‘s avonds liggen te huilen in hun slaapzak.”

Computergames worden inmiddels gebruikt in de aanloop naar, maar ook tijdens een oorlog en zijn van belang voor de beeldvorming, zo blijkt uit Seegers’ film. Het Amerikaanse leger maakt gebruik van simulatiespellen om invallen zoals die in Irak voor te bereiden. Ook voor de invasie van Bagdad werd een spel ontwikkeld. De grootste tegenvaller: het spel stopte toen de invasie met succes was afgerond. Versie 2.0: nationbuilding, laat nog op zich wachten.

Tegenlicht: Wargames, 20.55 u, Ned. 2 op maandag 31 maart

    • Tatiana Scheltema