Gaat u maar onrustig slapen

Na 9/11 zijn in de VS de aandelen van technologische bedrijven fors gestegen en wordt ook in Europa steeds meer privacy ingeleverd. Maar levert dat veiligheid op?

Statue of Liberty, zeefdruk van Andy Warhol uit 1986 Uit ‘Noise’, Phillips vrijheidsbeeld New York

Armand Mattelart: La globalisation de la surveillance. Aux origines de l’ordre sécuritaire. La Découverte, 260 blz. € 18,–

De wereld van Armand Mattelart is inktzwart. De Parijse emeritus hoogleraar communicatiewetenschappen is de zeventig gepasseerd, maar blijft burgers waarschuwen voor ‘Big Brother’. In La globalisation de la surveillance; aux origines de l’ordre écuritaire beschrijft Mattelart hoe we onze burgerlijke vrijheden één voor één verliezen. Landen gebruiken de mondiale strijd tegen het terrorisme en andere veiligheidsoverwegingen als excuus, vindt hij, om snel nieuwe maatregelen door te drukken die politie en leger meer macht geven.

‘La globalisation de la surveillance’ is taaie kost. Mattelart is weliswaar co-auteur van de populaire jaren-zeventigklassieker How to Read Donald Duck, hij blijft een man van conceptueel taalgebruik. Ook lijkt hij soms in samenzweringstheorieën te geloven. Maar dan nóg is zijn hier nog niet vertaalde boek de moeite waard. De kern is dat staten door de geschiedenis heen geprobeerd hebben hun onderdanen in toom te houden door ze zoveel mogelijk in de gaten te houden. ‘Surveillance’ is voor machthebbers altijd een cruciaal instrument geweest.

Al in de 19de eeuw gebruikten ze identiteitspasjes, foto’s en vingerafdrukken om de bokken van de schapen te scheiden. Latijns-Amerika gebruikte biometrie om de Europese immigranten te selecteren. Dat gebeurde in naam van de ‘sociale verdediging’. In Frankrijk was eind 19de eeuw een theorie in zwang over het subversieve gedrag van massa’s. Psychopatholoog Gustave Le Bon ontwikkelde een lijst met raciale eigenschappen, waar de koloniale politie zijn voordeel mee deed.

De tendens waar sommigen zich nu zorgen over maken – dat de balans tussen vrijheid en veiligheid te ver doorslaat naar de laatste – is dus niet nieuw. Wel nieuw is de voortschrijdende techniek. Je kunt nu computerbestanden linken. Mobiele telefoons afluisteren. Je kunt ook chips in mensen bouwen om te zien waar ze zich bevinden. Een tweede nieuwigheid is de schaal waarop dit gebeurt. In de tijd van Le Bon hadden staten de ambitie om mensen op hun eigen grondgebied in de gaten houden. In de huidige War on Terror wil de Amerikaanse regering vooral mensen buíten Amerikaans grondgebied volgen.

Mattelarts kernvraag is: is er een verband tussen technologische ontwikkelingen die elkaar razendsnel opvolgen, en die schaalvergroting? En sterker: is de Amerikaanse wens om de wereld te beheersen de ideologische motor van datgene wat wij nu kennen als de ‘information society’?

De noden van de Amerikaanse defensie worden gedicteerd door ’s lands economie. Tanks, bomber jets, transportsystemen: de industrieën die deze produceren profiteren in hoge mate van – bijvoorbeeld – een escalatie van het conflict over Irans nucleaire programma. Uit de interventie in Irak bleek al dat de waarheid van de aantijgingen minder ter zake doet. Zoals de gezaghebbende Amerikaanse commentator William Pfaff schreef: ‘Zo wordt onveiligheid een doel op zichzelf’.

Mattelart heeft een staaltje Amerikaanse inmenging van dichtbij meegemaakt. Hij werd geboren in België en studeerde in Frankrijk, maar woonde al jaren in Chili toen generaal Pinochet in 1973 – op die ándere 11de september – met CIA-steun het socialistische ‘project’ van president Salvador Allende in bloed smoorde. Mattelart, die Allende bewonderde, moest het land uit. Terug in Parijs werkte hij voor Unesco en specialiseerde hij zich in Latijns-Amerika. Hij bestudeerde de dictaturen daar, en de stelselmatige Amerikaanse bemoeienis daarmee. De trainingen. De wapenleveranties. De contraspionage. De propaganda.

De ‘draaiboeken’ van die dictaturen bleken gebaseerd op dezelfde doctrine die in de VS in de jaren vijftig de klopjacht op communisten moest rechtvaardigen, en de oprichting van het (tot 1998 geheime) wereldwijde elektronische spionageprogramma Echelon: nationale veiligheid. Amerikaanse bedrijven als IBM leefden op enorme contracten van ministeries en geheime diensten. Hier werd de cyberoorlog uitgedokterd. IBM bereidde zich decennia geleden al voor op terreuraanslagen in het buitenland.

Na de aanslagen in New York in 2001 gaf het grootste telecommunicatiebedrijf, AT&T, al zijn gegevens aan de National Security Agency. De aandelen van technologische bedrijven stegen tussen de 15 en 30 procent. Volgens Mattelart komt het de Amerikaanse regering goed uit dat AT&T agressief Amerikaanse en buitenlandse bedrijven opkoopt. Het beheer van het internet blijft, ondanks groeiend protest uit andere landen, in handen van een ‘onafhankelijk’ Amerikaans concern.

Toen Europese landen in de jaren zeventig te maken kregen met terrorisme (Rode Brigades, Baader-Meinhofgroep), was het verzet tegen repressieve maatregelen onder de Europeanen groot. De Franse regering kreeg niet eens een wetsvoorstel door het parlement om de politie zonder opgaaf van reden auto’s te laten doorzoeken.

De meeste landen hanteren verschillende definities van terrorisme, voorzover ze een definitie hebben. In 2001 was het voorbereiden van een terreuraanslag in veel Europese landen niet strafbaar. De Europese regelgeving op gebied van burgerlijke vrijheden, mensenrechten en bescherming van privacy was veel sterker ontwikkeld. Dat maakt de wereldwijde ‘dataveillance’, wezenlijk onderdeel van de oorlog tegen het terrorisme, er voor Amerikaanse veiligheidsdiensten niet makkelijker op. Vandaar hun enorme druk op de Europeanen om aan gegevens te komen.

De Europeanen zijn sinds 2001 een eind meegegaan. Van trouwe bondgenoten als Groot-Brittannië en Nederland en de meeste nieuwe EU-lidstaten ondervindt Washington weinig weerstand. Maar de Fransen voelen er minder voor om databestanden te delen – niet om privacy-redenen, maar omdat zij niet willen dat de Amerikanen aan Franse knoppen zitten. Om toch gegevens over passagiers te krijgen die vanuit Europa vlogen, dreigden de Verenigde Staten de Europese luchtvaartmaatschappijen met hoge boetes. Ook gebruikten ze militaire hulp en contracten voor Europese bedrijven als drukmiddel.

Daarnaast hebben er illegale zaken plaats gevonden: CIA-vluchten met gevangenen, Amerikaanse detentiecentra in Europa, uitleveringen van ‘terroristen’ aan landen waar gemarteld wordt en transfers van betalingsgegevens door het bedrijf Swift in Brussel. Onthullingen hierover brengen Europese regeringen dus enorm in verlegenheid. Hopelijk bewijst dit dat wetten als de Patriot Act (2001), die worden gebruikt om marteling, censuur, en de zogeheten total information awareness mogelijk te maken, in Europa minder gemakkelijk kunnen worden aangenomen. Tegelijkertijd vraag je je af wat er nog meer gebeurt dat niet door de beugel kan.

Eén aspect ziet Mattelart over het hoofd. In een Europa zonder binnengrenzen wordt meer informatie gedeeld dan vroeger. Politiediensten en parketten werken meer samen. Er is een gemeenschappelijke douane aan de buitengrenzen. Als je met een Nederlands visum naar Griekenland kunt, wordt visa- verstrekking een Europese zaak. Dit integratieproces van Justitie en Binnenlandse Zaken begon in 1999 en gaat voort – snellerdan als er 11 september was geweest.

Als criminelen geen grenzen meer hebben – en terroristen zijn in Europa criminelen, terwijl ze in Amerika ‘combatants’ (strijders) heten – moet er een Europese criminaliteitsbestrijding zijn. Deze logica neemt Mattelart niet in overweging. Hij meldt evenmin dat Europese politie- en veiligheidsdiensten uit hun soevereine reflex (om burgers te beschermen tegen buitenlandse agenten) weinig vitale informatie met elkaar of Europol delen.

De tendensen die hij schetst, zijn echter reëel. Weinigen realiseren zich hoezeer onze burgerlijke vrijheden gevaar lopen, hoe hard daar vanuit de Verenigde Staten voor gelobbyd wordt en hoe vaak Europese regeringen verontruste burgers recent met een kluitje het riet in hebben gestuurd.

    • Caroline de Gruyter