Er is wel harder uitgehaald naar de islam

Fitna past in een traditie van anti-islamitische pamfletten. Maar fel is hij niet. Maar misschien stuurt een enkele staat toch wat demonstranten de straat op, schat Dirk Vlasblom.

Volgens de UNESCO is een pamflet een eenmalige publicatie van niet minder dan vijf en niet meer dan 48 bladzijden. Dat wil zeggen: net geen boek. Het wordt gebruikt als medium voor reclameboodschappen, religieuze en anti-religieuze verhandelingen, politieke aanklachten en campagnemateriaal

Fitna, de lang verwachte productie van Wilders, is geen film, maar een filmisch pamflet. Hij duurt maar 16 minuten en de betoogtrant is associatief en retorisch.

Pamfletten zijn vaak vurige vertogen tegen iets: de regering, het grootkapitaal of religieuze volksverlakkerij. Dan worden het schotschriften en die kennen zo hun eigen technieken: beschuldigen door te associëren, selectief en uit verband citeren en uitvergroten van niet-algemene kenmerken. Wilders’ beeldverhaal is een visueel schotschrift tegen de Koran, het heilige boek van de moslims, en het bedient zich van precies deze technieken.

Het filmpje opent met soera 8, vers 60 uit de Koran. Dat vers dateert van kort na de slag bij Badr in het jaar 624, toen Mohammed en zijn jonge gemeente een beslissende overwinning behaalden op hun Mekkaanse tegenstanders, die hen twee jaar eerder uit die stad hadden verdreven. De Nederlandse vertaling uit 1974 luidt: ‘En maakt voorbereiding tegen wie gij kunt aan weerstandskracht en uitrusting van paardenvolk, om daarmede te verschrikken Allah’s vijand en uw vijand en anderen buiten hen, welke gij niet kent, maar welke Allah kent.’ Van ‘verschrikken’ maakt Wilders ‘terroriseren’. Hij zet de aangepaste en verkorte tekst in split screen naast een Boeing die zich in een van de Twin Towers boort. Dit vers, wil Wilders kennelijk zeggen, zet aan tot zulke daden. De bewijsvoering komt neer op montage.

Fitna brengt in razendsnelle opeenvolging een reeks orerende, overwegend Midden-Oosterse fanatici, die de VS, het Westen en ‘ongelovigen’ in het algemeen de wacht aanzeggen en de islamitische wereldheerschappij profeteren. Wilders suggereert hiermee dat deze woest gebarende, baardige heren hét gezicht zijn van de islam. Hij laat na te melden dat, op een enkel staatshoofd na, deze predikers in eigen land worden vervolgd wegens radicale opruiing.

Ronduit misleidend zijn de bebloede kindergezichten. Dat zijn beelden van ashura, een shi’itische feestdag waarop de marteldood van imam Hoesein, een kleinzoon van Mohammed, wordt herdacht en deelnemers zakjes met bloed leegdrukken op hun voorhoofd.

Maar het filmpje bevat ook beelden die voor zichzelf spreken: steniging van overspelige vrouwen en ophanging van Iraanse homo’s. En, zoals meer heilige boeken, bevat ook de Koran bij alle beelden passende passages.

‘Fitna’ is een pamflet tegen religieuze praktijken, maar in dat genre zijn er wel betere gemaakt. Sinds de achttiende eeuw is religie in Europa vaak voorgesteld als in strijd met de Rede en als ‘opium van het volk’. Wilders doet dat niet, hij keert zich alleen tegen de islam. Daarmee sluit ‘Fitna’ aan bij de veel oudere traditie van anti-‘mohammedaanse’ en anti-joodse traktaatjes. De maker staat dichter bij de oude Maarten Luther en diens verbeten geschrift Over de joden en hun leugens (1543) dan bij Markies de Sade en zijn scherpzinnige satires over de godsdienst.

Er is in de loop der eeuwen ook wel harder uitgehaald naar de islam. Geert Wilders is, bewust of onbewust, een epigoon van Johannes van Damascus (675-749), de eerste christelijke islamcriticus. Deze oosterse kerkvader schreef rond 743 De Haeresibus (Over Ketterijen), waarin hij een hoofdstuk wijdde aan ‘de bedrieglijke cultus der Ismaelieten’. De Arabieren werden destijds beschouwd als nakomelingen van Ismael, zoon van Abraham en Hagar. Onder hen predikte ‘ene Mamed’, volgens Johannes „een valse profeet, die, nadat hij kennis had genomen van het Oude en Nieuwe Testament, en kennelijk bekeerd was, samen met een monnik zijn eigen ketterij in elkaar draaide.” Johannes zette de islam dus weg als een ketterse vorm van christendom.

In de Middeleeuwen was het ook heel gebruikelijk om Mohammeds openbaringen af te doen als ‘epileptische aanvallen’.

De vraag die iedereen vandaag bezighoudt is: kunnen moslims hier tegen? Middeleeuwse islamieten hebben zich nooit veel aangetrokken van de christelijke kritiek op hun profeet en religie. Na de herovering van Jeruzalem op de Kruisvaarders door Salah ad-Din (1187) en de verovering van Constantinopel door de Ottomaanse Turken (1453) was daar ook weinig reden voor.

Gevoeligheid voor kritiek ontstond pas toen de islamitische wereld economisch en politiek stagneerde en de meeste moslimlanden, van Marokko tot Indonesië, protectoraten en kolonies werden van Europese mogendheden. Het collectieve zelfvertrouwen heeft zich na de dekolonisatie nog niet helemaal hersteld, getuige de commotie over de aankondiging van een anti-islamitische film door een Nederlandse politicus.

Maar misschien valt het mee. Het is de vraag welke Midden-Oosterse autocratie nog een appeltje te schillen heeft met Nederland en daarom de gelovigen de straat op stuurt. Zelfstandiger denkende moslims, die zich niet herkennen in dit pamflet, kunnen het gewoon naast zich neerleggen. En dat zijn er allicht meer dan Wilders met zijn bij elkaar geplakte groepsportret suggereert.

Dirk Vlasblom is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Dirk Vlasblom