Eerst mens, ...dan krijger

„Niet eerder heb ik zo sterk het gevoel gehad in fictie te zijn beland.” Arnon Grunberg ging in Israël op bezoek bij diverse onderdelen van het leger.

Israëlische soldaten staan in de houding tijdens een staatsbezoek foto AP Israeli soldiers stand at attention as they prepare for the arrival of Polish Prime Minister Jerzy Buzek Tuesday, Dec. 7, 1999 at the Israeli prime minister's office in Jerusalem. (AP Photo/Ruth Fremson) Associated Press

Zo rond mijn twaalfde werd ik naar een religieuze, zionistische jeugdvereniging gestuurd, Bne Akiwah. Mijn zus was daar enthousiast lid van geweest, het lag in de lijn der verwachtingen dat ook ik vol enthousiasme aan de activiteiten zou gaan deelnemen. Maar dat gebeurde niet. Of dat aan het religieuze of het zionistische karakter van de jeugdvereniging lag, weet ik niet meer zeker. Volgens mij was het vooral de jeugdvereniging zelf. Het opgelegde saamhorigheidsgevoel waarvan ik ongemakkelijk werd, een ideaal waarin ik niet kon geloven en in samen zingen en dansen heb ik ook nooit veel heil gezien. Mij leek het vooral heerlijk gebruik te maken van het voorrecht om nergens bij te horen. Toen nog veel heerlijker dan nu. En vergeleken met het ideaal van absolute en principiële eenzaamheid was het zionisme maar een banale aangelegenheid.

Van de hele jeugdvereniging maakte Tsiwjah Eisenmann verreweg de meeste indruk op mij. Een meisje dat mij angst inboezemde maar dat ik tegelijkertijd ook begeerde. Uiteindelijk woog de angst zwaarder dan de begeerte. Als ik mijn ouders op zaterdagmiddag vertelde dat ik naar de jeugdvereniging ging, dan wandelde ik in werkelijkheid van Amsterdam-Zuid naar Amstelveen en weer terug.

Nu kun je zelf wel besloten hebben om nergens bij te horen, het is de vraag of de anderen dat besluit respecteren. Zo ontmoette ik onlangs ter voorbereiding op mijn reis naar Irak een oorlogscorrespondent in een bar in Brooklyn. Nog voor ik iets kon zeggen, zei hij: „Jij bent Joods, hè? Jij bent nog meer geld waard in Irak dan ik.”

Maar al lang voor deze ontmoeting had ik me met enige regelmaat afgevraagd of Abel Herzbergs befaamde dictum dat zonder Israël iedere Jood een ongedekte cheque is nog waar was, gesteld dat het ooit waar is geweest.

Was Israël niet veeleer een blok aan het been, zeker vanaf de Tweede Intifada in 2000, misschien al vanaf de Eerste Libanonoorlog in ’82? Iets wat je, eenmaal ontmaskerd als Jood, diende te verantwoorden, waarvoor je je misschien zelfs moest schamen. Ik schaam me graag, maar bij voorkeur voor mezelf.

Als het om Herzbergs dictum ging besloot ik neutraal te zijn. Of ik een gedekte dan wel ongedekte cheque was, wist ik niet zeker, maar ik vond die grijze zone tussen gedekt en ongedekt in eigenlijk bijzonder prettig. Ik kon nog alle kanten op en in die constatering ligt iets wezenlijks van de vrijheid besloten.

In de zomer van 2006 reisde ik met het Nederlandse leger mee naar Afghanistan en ik raakte geïnteresseerd in legers en oorlog. In het leger omdat het, althans in oorlogsgebied, alle principiële en absolute eenzaamheid onmogelijk maakt. En in oorlog omdat het gat dat gaapt tussen commentaren en berichten in kranten en tijdschriften en de werkelijkheid ter plekke zo groot bleek te zijn. Ik was als vrijwel iedereen grootgebracht met het idee dat oorlog iets abjects was, wat het overigens ook is. Maar wat na aanvaarding van die zekerheid overblijft is een gesprek over oorlog in morele termen. Dat is alsof je over seks uitsluitend wenst te praten in termen van seks die tot kinderen leidt of seks die dat niet doet, wat met alle respect de kwintessens van de activiteit ongemoeid laat.

Het officiële discours mocht dan hebben besloten dat over mannelijkheid alleen lacherig kan worden gesproken, maar buiten dat discours bestaat een wereld waar de bereidheid tot doden en sterven een cruciaal aspect van die mannelijkheid is. Hoogst onsmakelijk en bijzonder immoreel, maar niet minder realistisch.

Er bleek iets aan oorlog te kleven waarover in het officiële debat discreet werd gezwegen: een heroïsme met onmiskenbare seksuele connotaties. Zoals de militaire historicus Martin van Creveld in zijn boek Men, Women and War schrijft: „If war is a man’s glory, then assuredly the best antidote ought to be a woman’s ridicule.”

Onnodig te zeggen dat dit tegengif niet werkt en vaak ook afwezig is. Onnodig ook op te merken dat het niet alleen economische redenen zijn die ervoor zorgen dat mannen vrijwillig dienst nemen en zich vrijwillig aanmelden voor eenheden die geen administratieve taken verrichten, zelfs geen ondersteunende taken voor de gevechtseenheden, maar die precies dat willen doen wat legers nu eenmaal uiteindelijk doen: vechten. Ik heb het over mannen, want vrouwen in legers doen zelden tot nooit aan ‘combat’.

Kort na terugkeer van mijn eerste reis naar Afghanistan besloot ik het Israëlische leger op te zoeken. Als Abel Herzberg nog altijd gelijk heeft en ik een ongedekte cheque ben, dan was het dat leger dat mij dekte. Niet de taal, niet het land, niet de ideologie. Het leek mij niet meer dan logisch dat ik de IDF, de Engelse afkorting voor het Israëlische leger (Israeli Defense Force), van nabij zou gaan bekijken. De IDF echter bleek weinig behoefte te hebben aan pottenkijkers. „Embedded’ zijn was uitgesloten. Ik kreeg later ter plekke te horen dat bij operaties op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook bijna altijd medewerkers van de Shin Beth, de Israëlische binnenlandse veiligheidsdienst, meegaan. En de Shin Beth stelt al helemaal geen prijs op journalisten. Na lange onderhandelingen en bemiddelingen via diverse tussenpersonen bleek een alternatief programma mogelijk. Het bijwonen van trainingen, interviews met diverse militairen, de nadruk zou komen te liggen op vrouwelijke militairen. De soldate is nog altijd iets wat het Israëlische leger bijzonder maakt; Israël is een van de weinige landen waar dienstplicht voor meisjes bestaat. Voor niet-religieuze meisjes wel te verstaan, want hoewel ik er tijdens mijn bezoek weinig van merkte geldt het leger als een paradijs voor promiscuïteit. Iets wat mij na mijn bezoeken aan Afghanistan nauwelijks verbaast. Ik zou zelfs zeggen dat dat een van de nevenfuncties van het leger is: de liefhebbers van promiscuïteit een thuishaven bezorgen.

Omdat ik geen „security clearance’ kreeg, waren bepaalde trainingen voor mij niet toegankelijk. En trainingen die eerst toegankelijk zouden zijn, bleken op het laatste moment toch strikt geheim. Tot twee keer toe werd mijn reis uitgesteld. Bij het Israëlische leger werd er voornamelijk zo niet uitsluitend geïmproviseerd. Begin maart kon ik eindelijk naar Israël afreizen.

Mijn eerste gesprekspartner

is de journaliste Amira Hass, omdat ik meer wilde weten over de politieke context van het leger en omdat ik vermoedde dat niet alle militairen vrijuit zouden kunnen praten. Bewust heb ik niet met Palestijnen en Israëlische Arabieren gesproken. Volgend jaar hoop ik naar de Palestijnse gebieden af te reizen.

Hass schrijft voor de liberale krant Ha’aretz en ze heeft een boek gepubliceerd Drinkend uit de zee van Gaza, over de jaren dat ze in Gaza woonde. In 2002 kreeg ze voor haar journalistieke werk de Prins Claus Prijs. Tegenwoordig bericht ze vanuit Ramallah.

Op een zondagavond in een vrijwel leeg cafetaria in Jeruzalem zit Hass achter een bord salade. Haar eerste woorden zijn: „Je zult wel honger hebben. Eet jij mijn salade maar op. Ik hoef niet meer.” Over haar rechterschouder heeft ze een grote sjaal gedrapeerd. Deze avond is de enige mogelijkheid om haar te ontmoeten. Ze zal afreizen naar Parijs voor een presentatie van Israëlische schrijvers. Op de Salon du Livre is Israël „Schwerpunkt’ maar Hass doet niet mee aan de officiële presentatie. Ze zegt: „Je kunt niet over zestig jaar Israël praten zonder de naqba, de Palestijnse catastrofe, erbij te betrekken.”

Ik besluit toch maar een eigen salade te bestellen.

„Noch Israël noch de Palestijnse elite die belang heeft bij het behouden van de status quo,’ zegt ze, „is geïnteresseerd in vrede. Een van de Palestijnse onderhandelaars heeft een zoon die een bedrijf heeft dat grondstoffen levert voor de bouw van de muur. Hij wordt rijk van die muur. Zowel Abbas als Haniyeh, de politieke leider van de Hamas, speelt Israël in de kaart. De enige bedoeling van de onderhandelingen is dat ze tot meer onderhandelingen leiden. Waar het om gaat is dat een volk zijn privileges weigert op te geven.”

Het cafetaria gaat sluiten. We gaan buiten onder een parasol zitten omdat het zachtjes regent.

„In Gaza is een talibanisatie gaande,’ vertelt Hass. „Drankwinkels die worden aangevallen et cetera. Dat is nieuw, dat kenden wij niet. Ramallah daarentegen is prima, Ramallah is een vijfsterrengevangenis. In Israël zou zich een morele verandering moeten voltrekken, en dat zie ik niet gebeuren. Ik ben erg somber. Soms vrees ik dat Israël een fase zal zijn.”

„Hoe kan een land dat kernwapens heeft verdwijnen?’ vraag ik.

Het is de enige keer tijdens ons gesprek dat Amira Hass lichtelijk geagiteerd raakt. „Dat weet ik niet,’ zegt ze. „Ik ben geen waarzegster die in haar kristallen bol kijkt.”

In de auto naar mijn hotel in Tel Aviv zie ik Amira Hass voorbij rijden. Op haar voorruit plakt een bord met zowel in het Engels als het Arabisch het woord „pers’. Ze zwaait naar me.

De volgende ochtend heb

ik in de nabijheid van het Ministerie van Defensie in Tel Aviv afgesproken met kapitein Benjy, een voorlichter bij het leger. (De meeste militairen gaven alleen hun voornaam, ik heb daar genoegen mee genomen.) Benjy is geboren in Sydney, enkele jaren geleden is hij naar Israël verhuisd en is bij de afdeling voorlichting van het leger gaan werken omdat hij vindt dat zijn nieuwe land zich niet goed verkoopt in het buitenland.

De komende dagen zal er steeds een dienstplichtige met mij meereizen. Officieel om indien noodzakelijk te vertalen, maar in praktijk vooral om de stroom van informatie te controleren.

„Morgen zal Mirika met je meegaan,’ zegt Benjy. „Als je haar persoonlijke boodschappen wilt sturen, wil je dat dan niet doen op haar mobiele telefoon van het leger.”

„Ik ken Mirika niet,’ zeg ik verbijsterd, „ik ben niet van plan om haar persoonlijke boodschappen te sturen.”

Aangezien het leger geen vervoer kan regelen, organiseer ik een taxi. De chauffeur heeft een Filippijnse vriendin die hij zijn derde vrouw noemt, hij heeft nog maar contact met één van zijn kinderen, een zoon die ten noorden van Tel Aviv een kapsalon heeft. De chauffeur is bewapend. Hij laat me weten zowel met de linker- als met de rechterhand te kunnen schieten. Met hem en een begeleider van het leger zal ik de komende dagen Israël doorkruisen.

Niet eerder heb ik zo sterk het gevoel gehad in fictie te zijn beland.

Mirika blijkt een soldate van negentien. Haar moeder schrijft romans, haar vader is een wiskundige die prijzen heeft gewonnen. Ze heeft een plastic zakje met fruit bij zich dat ze bereid is te delen. Bestemming die dag is Bat Egat, een elite-officiersopleiding in de Negev woestijn, iets ten zuiden van Beer Sheva.

Kapitein Avi, commandant van de elite-opleiding, ontvangt ons. Hij is vierendertig, getrouwd, en heeft één kind. Zijn uiterlijk voldoet aan het cliché van de oorlogsheld.

Israël mag veel geld uitgeven aan wapens, maar de huisvesting en meubelen voor het leger komen er bekaaid af. Het kantoortje van Avi wekt de indruk alsof de staat Israël nog geen drie weken geleden is opgericht.

„Ik heb in de Tweede Libanonoorlog in 2006 gevochten,’ zegt Avi, „en ik heb deze baan genomen om de lessen uit die oorlog te implementeren. We waren niet getraind. Israël is een land van winkelcentra geworden, van het gemak dient de mens.”

Avi wijst op stencils die met punaises aan de muur zijn bevestigd.

„Dat zijn de waarden van het Israëlische leger,’ zegt hij. „Eerst ben je mens, dan commandant, dan pas krijger. Maar de belangrijkste waarde van het leger is het vervullen van de missie.”

„Ook als dat betekent dat je eigen soldaten zullen sterven?’ informeer ik.

„Ja,’ zegt Avi. „Het vervullen van de missie komt eerst.”

Ik denk aan de zoon van de schrijver David Grossman, die sneuvelde in de laatste Libanonoorlog.

„Hoe kun je je soldaten op de dood voorbereiden?’

Avi zucht. „Dat kan niet,’ zegt hij. „Je kunt hen alleen trainen. Dat ze weten wat ze moeten doen, ook als ze verstijven van angst. En ik ga voorop, ik kijk niet achterom, ik weet dat ze me volgen.”

„Denkt u dat er een volgende oorlog komt met hezbollah of Syrië?’

„Die vraag kun je niet stellen,’ zegt Mirika.

Avi negeert haar. „Elk leger bereidt zich voor op de volgende oorlog. Wij bereiden ons voor op een oorlog aan het noordelijke front.”

„Kunt u zich nog de eerste keer herinneren dat er op u geschoten werd?’

Avi lacht. „Je kunt net zo goed vragen,” zegt hij, „kun je je nog de eerste keer herinneren dat je een meisje kuste.”

Ik krijg schietoefeningen te zien, met kleinere en grotere wapens. Op de terugweg naar Tel Aviv haalt Mirika een appel uit haar plastic zak.

De dag erop zal ik op de Golanhoogte

in de ijzige kou nabij de Syrische grens een tankoefening bijwonen. De tanks zelf mag ik niet in. Vanuit de toren lijkt het bewegen van de tanks op schaken.

Mijn begeleider is dit keer Ariel, een jongeman uit Frankrijk. Geen moment laat hij me alleen. Hij volgt me als een hond. Tijdens het wachten op de vervolgoefening zegt een jonge soldaat, Dimitri en voor zijn vrienden Dima, dat hij uit een plek in Siberië komt waar het altijd koud is en dat hij niet Joods is. „ Wat doe je hier?’ vraag ik.

„Het leven is hier beter,’ zegt hij en grijnst.

Commandant Tal vertelt dat tijdens de laatste Libanonoorlog het Israëlische leger lama’s gebruikte om zware spullen te vervoeren, die nu eenmaal nodig zijn voor gevechtshandelingen. Maar het experiment mislukte. „Ze rende zo met onze spullen naar de hezbollahstrijders,’ zegt Tal. „We moesten de lama’s doodschieten, anders waren onze spullen in handen van hezbollah gevallen.”

In het zuiden van Israël in Eilat bezoek ik eenheid die Caracal heet en waar vrouwen worden opgeleid tot strijder.

Moshe, de commandant zegt: „De grenzen zijn hier rustig. Onze belangrijkste taak is om het smokkelen tegen te gaan. Ze smokkelen drugs en prostitués het land in om onze moraal te breken.”

„Is dat zo?’ vraag ik.

Moshe knikt. „En de Soedanese vluchtelingen die over de Sinaï naar ons toe komen. Soms wordt er op hen geschoten en dan liggen ze bloedend één meter voor de grens, maar we kunnen niets doen want als we één stap over de grens zitten, schieten de Egyptenaren op ons. De Jordaniërs zij slim, de Egyptenaren hebben geen hersenen.”

Ariel onderbreekt hem. „Moshe bedoelt natuurlijk niet dat alle Egyptenaren geen hersenen hebben.”

Daarna mag ik met drie jonge, vrouwelijke krijgers spreken. Vooraf krijgen ze van Ariel instructies wat ze moeten zeggen. Ik ben vooral benieuwd waarom zij besloten hebben krijger te worden en dus ook één jaar langer moeten dienen dan de andere meisjes voor wie twee jaar dienstplicht volstaat. Er komen alleen clichés uit.

Alleen als een van hen voorstelt om met zijn allen op de foto te gaan, komen ze een beetje los. „We zijn net zo goed als de mannen,’ zegt Shira, eenentwintig jaar. Ik knik vriendelijk, ik twijfel er niet aan dat ze mij zonder moeite zal overmeesteren.

Mijn reis eindigt in Mevaseret, iets buiten Jeruzalem op een zaterdagochtend in de tuin van de militaire historicus Martin van Creveld.

„Wij waren een klein maar dapper land om Moshe Dayan te citeren,’ zegt hij. „Nu zijn we economisch groot maar laf.”

Ik bewonder de boeken van Martin van Creveld, zijn commentaren die hij geregeld voor diverse kranten schrijft, onder andere Die Zeit en The International Herald Tribune.

„Een leger moet niet alleen bereid zijn het bloed van de vijand te vergieten, het moet ook bereid zijn zijn eigen bloed te vergieten,’ verklaart Van Creveld.

„Dat is cynisch,’ zeg ik.

„Het is de waarheid. Een leger dat die bereidheid verliest, kan zichzelf beter opheffen. Door de intifadah is het Israëlische leger een leger van derderangs politieagenten geworden. De bedreiging van Iran wordt overdreven, de grootste bedreiging voor Israël is een interne bedreiging.”

Van Creveld eet een aardbei.

„Het succes van een oorlog meet je af aan het einde van de oorlog en wat daarna komt. Anders dan algemeen wordt aangenomen dat de Tweede Libanonoorlog een ramp was, zeg ik: nee, wij hebben die oorlog gewonnen. Want het is nu al bijna twee jaar rustig aan het noordelijke front. Ondanks het falen van de grondtroepen. Het is meer dan een grap als ik zeg dat het goed zou zijn voor de vrede als Syrië kernwapens zou krijgen. Kernwapens hebben meer voor de vrede gedaan en meer mensenlevens gespaard dan wie dan ook.”

Van Creveld eet nog een aardbei.

„De Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever hebben raketten, net als de Palestijnen in Gaza. Maar ze gebruiken ze niet omdat ze weten wat de consequenties zouden kunnen zijn: transfer richting Jordanië. Wij zijn niet zo stom als die arme Miloševic. Wij hebben kernwapens waarmee we iedere stad in Europa kunnen vernietigen. Heeft dit scenario mijn voorkeur? Nee, mijn naam is niet A. Hitler.”

Weer verdwijnt een aardbei in de mond van van Creveld.

Ik denk aan het dictum van Herzberg. Ik besluit vast te houden aan mijn oorspronkelijke positie tussen gedekt en ongedekt in. Als het gaat om de eigen bescherming is het misschien verstandig op diverse legers tegelijkertijd te gokken.

„Als de Palestijnen hersens en discipline hadden zouden ze gebruik maken van de verdeeldheid in de Israëlische samenleving. De kolonisten, vooral de religieuze, worden door een groot gedeelte van de samenleving gehaat en ook door het leger. Maak hun het leven zuur in plaats van de inwoners van Sderot.”

Een laatste aardbei.

„Het grootste probleem in het Israëlische leger is het anti-intellectualisme. Ik heb eens een lezing gegeven voor de generale staf. Ze gedroegen zich als kinderen met een gedragsstoornis. Ik vrees dat het een overblijfsel is van de zionistische droom. De Joden wilden geen boeken meer lezen. Ze wilden eindelijk iets wezenlijks doen: vechten.”

    • Arnon Grunberg