Een sjabloon voor de wereld

Voor schilder en tekenaar Paul Klee was het theater alles – de natuur zelf, maar dan in verhevigde vorm. Een tentoonstelling in Brussel laat dat schitterend zien.

Zelfportret van Klee (1909) ABMT, Uni Basel, 2005

Hij schreef dat we ons moesten voorstellen dat we dood waren. Jaren van ballingschap hadden ons van de aarde gescheiden. Stel je voor. Nu mochten we nog één keer kijken, één blik was ons vergund.

Dat deden we.

We zagen een doodgewone lantaarnpaal en een oude hond ernaast die zijn poot optilde. We waren zo aangedaan door het beeld van die simpele lantaarn en die plassende hond dat we voordat we het wisten huilden.

Paul Klee - schilder, tekenaar, musicus en leraar - beschreef het hypothetische geval in de lente van 1905 in zijn dagboek. In 1905 is Klee nog jong, vijfentwintig jaar. Hij is nog niet getrouwd, heeft Kandinsky, zijn goede vriend Franz Marc en de andere leden van de expressionistische kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter nog niet ontmoet. Van Walter Gropius heeft hij nooit gehoord. De etsen en tekeningen die hij maakt, zijn nog ‘logisch vol chaos’. Aan kleur waagt hij zich niet. Alleen maar lijn en tonaliteit. Klee twijfelt of hij zelfstandig kunstenaar kan worden, in de muziek verder moet gaan (Klee treedt op als violist) of – het allerergste - als illustrator de kost moet verdienen.

Toch zal wat hij zo vroeg in zijn dagboek schrijft kenmerkend worden voor zijn manier van kijken naar de wereld en naar kunst. Achter het hypothetische stel-je-voor, in een zeldzaam grapje vervat, gaat een levensopvatting schuil die niet wezenlijk zal veranderen. Die lantaarnpaal en die oude hond zijn het stof van de aarde dat we zullen missen. Niet een huis vol goud, niet een roze ochtend in Venetië, niet een naakte schouder naast ons op het kussen. Maar dát. We hoeven alleen maar te kijken. Goed te kijken. Achter, door de dingen heen. Want alleen zo wordt het onzichtbare zichtbaar, alleen dan wordt het mysterie, dat volgens Klee achter alle normale verschijningsvormen schuilt, ontsluierd.

De in Duitsland geboren, maar

aan het eind van zijn leven tot Zwitser genaturaliseerde kunstenaar Paul Klee (1879-1940) behoorde tot die wonderlijke groep van idealistische, visionaire en uiterst getalenteerde scherpslijpers die in het eerste kwart van de vorige eeuw de kunst op haar grondvesten deed schudden. Niet geprogrammeerd, niet per se in groepsverband. Her en der, op verschillende plekken in Europa, doken de nog jonge meesters van de avant-garde op, als sneeuwklokjes tussen de sneeuw. Zij veranderden de kunst dermate dat alles en iedereen die na hen kwam, verplicht terug moest kijken naar hoe zij het hadden gedaan, wat voor keuzes zij hadden gemaakt, welke artistieke posities zij hadden ingenomen. Of het nu Mondriaan betrof, Picasso of Klee. Of ze nu abstract schilderden, figuratief of iets daartussenin. De werkelijkheid zoals je dacht dat ze eruit zag, zou nooit meer dezelfde lijken.

Van al die mastodonten is Klee in mijn ogen altijd de ‘zachtste’ gebleven. Zacht, omdat hij nooit de fanatieke abstractie wilde, die Mondriaan of Malevitsj nastreefden. Daar was zijn fantasie te grillig voor, en daar drong de buitenwereld zich in al haar belachelijke en wonderschone verschijningsvormen te fel voor op. Ook in de meest abstracte werken die Klee zal maken, blijft de naturalist om de hoek gluren, iemand die op zijn dooie akkertje wandelingen van twaalf uur door de bergen maakt en thuiskomt met een tekening van een krekel.

Klee is zacht vanwege zijn twijfel en zijn nooit aflatende zoektocht naar spirituele, artistieke en morele balans. Zijn belangrijkste axioma, zo schrijft Sibyl Moholy-Nagy in haar nawoord van het Pedagogische Skizzenbuch dat Klee voor zijn Bauhaus-studenten maakte, is: ‘Blijven staan ondanks alle mogelijkheden om te vallen’.

Klee is ook zacht vanwege de kleuren die hij schildert, áls hij schildert. Die kleuren zijn, in vergelijking tot Mondriaan, bezoedeld. Er is veel paars, roze, donkergroen, babyblauw, licht oranje; niks primairs. Klee hecht die kleuren aan primitieve vormen die op runentekens lijken, aan fantasiefiguren die zo uit een speelgoeddoos lijken te zijn ontsnapt, en aan sterren dansend in de nacht.

Maar het aller-, allerzachtst is Klee omdat hij zo graag tekent. Het potlood en de etspen zullen zijn leven lang zijn favoriete gereedschap blijven. Niet voor niets verzoekt hij in 1920, als Gropius hem vraagt voor het Bauhaus, om een aanstelling als tekenleraar. De lijn op wit papier is het meest kwetsbare wat een kunstenaar kan maken. Mislukt die lijn, dan heeft weggummen of overtekenen geen zin. Dan rest alleen nog de prop in de prullenbak. Maar lukt die lijn, dan is er inderdaad reden voor grote euforie. Dan begrijp je waarom Klee in zijn dagboeken schrijft: ‘Hoe kan ik sterven? Ik die een kristal is? Ik KRISTAL.’

Dat alles straalt je tegemoet

op een werkelijk schitterende overzichtstentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Daar zijn onder de titel Paul Klee – overal theater honderden tekeningen en schilderijen opgehangen, verspreid over meer dan tien zalen. Het Klee-expertise-centrum in het Zwitserse Bern is de drijvende kracht achter de expositie en heeft ervoor gekozen om Klee vanuit één specifieke invalshoek te belichten. Een invalshoek waar Klee’s leven en werk zo van doordrongen is dat je gaandeweg de tentoonstelling zicht krijgt op de ‘gehele’ Klee, thematisch en stilistisch. Ook daarom klopt de tentoonstelling zo goed: omdat ze de letterlijke vertaling is van Klee’s eigen adagium: dat achter het kleine het grote schuilgaat, dat achter het specifieke het universele gloort.

Dat is in Brussel dus het theater. Voor Klee is theater veel meer dan divertissement, veel meer dan slechts een plek waar hij vanaf zijn tiende heengaat om opera, ballet of toneel te zien. Theater is alles. Deze overtuiging is niet gegrondvest op de gedachte dat de wereld een schouwspel is waar ieder zijn kunstmatige rol speelt en wij allemaal narren zijn. Nee, deze overtuiging komt voort uit het omgekeerde: dat emoties en bewegingen zich het zuiverst uitkristalliseren in het theater. Theater is voor Klee de natuur zelf, maar dan in verhevigde vorm. Daarom dient het theater als sjabloon voor de wereld. En wie goed naar die wereld kijkt, ziet overal de puurheid van het theater. Theater houdt daarom niet op als het doek valt en de voorstelling is afgelopen. Theater bestaat voor Klee in het bos, in een vrolijke paddestoel, een plompe appel, in de seizoenen, in spelende jongens en meisjes, mannen en vrouwen, in geometrische vormen en spinnepoterige arabesken in de wolken. Als je maar goed kijkt is alles bezield en daarom theater.

De tentoonstelling in Brussel

is formeel ingedeeld: er zijn zalen met ‘dans’, ‘maskers en poppen’, ‘circus‘, ‘sterren en beroemdheden’, ‘muziek’ en ‘theater. Binnen die thema’s wordt vrij geïmproviseerd in chronologie en stijl. In de ‘danszaal’ bijvoorbeeld, hangt een geschilderd Abstract Ballet uit 1937, waarin Klee probeert om door middel van strenge verticale, horizontale en diagonale lijnen vat te krijgen op de dynamiek van beweging. Zes jaar daarvoor schildert hij in zachte pastelkleuren de aquarel Balletscène, waarin de beweging van de danser juist is opgelost in efemere kleuren en organische vormen. Hier is het alsof de kunstenaar beweging heeft proberen te vangen door tientallen keren met zijn ogen te knipperen en steeds één klein onderdeel van wat hij zag, te schilderen. . In 1932, een jaar na de Balletscène, verschijnt in een wemeling van gekleurde punten een haast ouderwetse lijntekening van een danseres.

Zelfs in de maskers en de tronies, in de portretten die hij van toneelacteurs en dansers maakt, probeert Klee beweging te brengen. Dat is hallucinerend om te zien. Een gezicht is bij Klee nooit zomaar een gezicht. Een gezicht is een landschap, een polyfone melodie – van links, rechts, van onder en van boven te bekijken en te beluisteren. Ieder gezicht is ook lichaam, een neus kan een onderbeen zijn, een wenkbrauw een oor en de jukbeenderen van een clown een meetkundig probleem.

In het theater wordt een been geheven om een schop uit te delen, maar halverwege de beweging stolt de tijd. In het theater wordt een schouder opgetrokken tot een gebaar van machteloosheid. In het theater worden de lippen zo fijn gestift, dat het is alsof je kijkt naar een wezen van buitenaardse schoonheid. Het zijn momenten dat je aan je stoel gekluisterd zit. Zijn het de woorden, de dictie, de muziek, het decor, de schmink?

In zijn beste werken brengt Klee dit soort ‘magie’ met mierenvlijt in beeld op papier, schilderslinnen, neteldoek en zelfs verbandgaas. Ragfijn is Klee’s hand als hij een libelle tekent op de rug van een hond of een aap op de rug van een vos. Schetterend brengt hij een grote keizer op papier ten val. Geheimzinnig is hij in zijn abstracte taal, waar lijnen optel- en aftreksommen maken, rusten, kronkelen, ‘uit wandelen gaan’ zoals hij dat zelf noemt.

Altijd moet alles op het tweedimensionale vlak in evenwicht blijven, juist om die grote emoties, de essentie die achter het waarneembare ligt, tot uitdrukking te kunnen brengen. Daarom zijn de meest symbolische werken op de tentoonstelling die van de koorddansers en trapezeacrobaten. Ze blijven staan op het dak van een labyrintisch universum, maar soms ook niet. Dan vallen ze te pletter in duizend stukken.

Na de machtsovername door de nazi’s

in 1933 wordt Klee, net als zoveel andere kunstenaars in Duitsland, gedwongen ontslag te nemen aan de kunstacademie waar hij doceert. Het Bauhaus is dan al gesloten. Klee vertrekt met zijn vrouw Lily en zijn zoon Felix naar Zwitserland. Hij schrikt van het provincialisme van het land en met name van het suffe Bern. Al snel wordt hij ernstig ziek. Vlak voor zijn dood laat een goede vriend één van zijn laatste wensen in vervulling gaan: hij neemt hem nog één keer mee naar circus Knie om een ‘rasechte, kleine circuspaardrijdster (-) met tutu en heel de verdere uitrusting’ te zien.

Klee sterft in 1940 aan de gevolgen van een zeldzame vorm van reuma. Dat betekent dat hij nu al meer dan een halve eeuw ‘in ballingschap’ leeft, zoals hij het zelf in 1905 in zijn dagboek schreef, verstoken van een blik op de aarde. Stel dat Klee de kans krijgt om nog één te kijken. Wat zou hij zien? Misschien geen paardrijdster of luchtacrobaat. Misschien inderdaad een lantaarnpaal met een hond die moeizaam zijn poot optilt. Hij heeft de lantaarnpaal, noch de hond ooit getekend. Zou hij moeten huilen?

Paul Klee – Overal theater. T/m 11 mei. Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. Di t/m zo 10-18u, do tot 21u. Catalogus: € 39,95.