Een gymnasiast in de garagebox

Twee romans onderzoeken het problematische leven in de grote stad. Eén aan de hand van een schrijver die een meisje wil redden, de ander over een jongen die niet gered wil worden.

Robert Vuijsje Foto Guus Dubbelman Dubbelman, Guus

Martin Schouten: Het meisje met het hoofddoekje. Nieuw Amsterdam, 224 blz. € 16,50

Robert Vuijsje: Alleen maar nette mensen. Nijgh & Van Ditmar, 286 blz. €16,50

Nederland in het begin van de 21ste eeuw is een eigenaardig land. Er wonen mensen van Marokkaanse en Turkse afkomst, wat nu zelfs tot nette gezinnen in de gegoede buurten van Amsterdam-Zuid schijnt te zijn doorgedrongen. Er bestaan buurten waar het wemelt van Surinamers, Antillianen en Afrikanen. Nederland lijkt wel een multiculturele samenleving, waar dan ook nog eens een politicus en een filmmaker zijn doodgeschoten. Het land worstelt met de omgang tussen uiteenlopende bevolkingsgroepen en dat levert naast veel gedoe ook weer aantrekkelijke stof op voor nieuwe romans.

Het debuut van Robert Vuijsje (1970), Alleen maar nette mensen, is het verhaal van een nogal verwende gymnasiumklant uit Amsterdam-Zuid wiens vader de baas is van een belangrijk actualiteitenprogramma bij de publieke omroep. De hoofdpersoon, David, heeft meer dan genoeg van zijn zelfingenomen ouderlijke milieu waar aan de door Jan des Bouvrie ontworpen tafel wekelijks ‘opinie-overleg’ wordt gehouden met een beroemde columnist en andere ‘vrienden van Ayaan’. Hij gaat de wijde wereld in van de Bijlmermeer ofwel Amsterdam Zuid-Oost waar andere mensen, andere taal, bling bling en vooral goedkope seks met wulpse zwarte meiden te vinden zijn.

Ik las dit debuut direct na Het meisje met het hoofddoekje, de vijfde roman van Martin Schouten (1938), en ook dit boek is een verkenning van de multiculturele wereld. De hoofdpersoon van Schoutens verhaal, een schrijver op leeftijd, woont evenals de ouders van Vuijsjes David in Amsterdam- Zuid. Maar waar de jeugdige David fris en vrolijk onderduikt in de Derde Wereld naast de deur, zet de oudere schrijver van Schouten het op een tobben over een 16-jarig islamitisch meisje dat bij hem om de hoek in een supermarkt werkt. Hij wil haar op ouderwets sociaal-democratische wijze ‘verheffen’ met boeken van Theo Thijssen en Nescio, gesprekken met de joodse boekhandelaar Jacques en diens moeder, maar moet er ten slotte in berusten dat zij slachtoffer wordt van Mohammed B.-achtige types in haar omgeving.

Het is bijna onontkoombaar de twee romans te vergelijken en laat ik maar bekennen dat ik de onbesuisde karikaturen van Vuijsje met meer plezier heb gelezen dan de welgemeende en weldenkende bespiegelingen van Schouten. De vraag is uiteraard waarin hem dat zit. Waarschijnlijk wil Schouten te veel tegelijk. Hij verbindt zijn afval van het gereformeerde geloof met de emancipatie van een islamitisch meisje, hij behandelt het Israëlisch-Palestijnse conflict, de Holocaust, foute Nederlanders in de oorlog, de wereldliteratuur en de radicalisering van Marokkaanse jongeren. Het is allemaal zeer verantwoord, maar levert eerder adequate analyses op van wat ons allen bezighoudt dan een roman. Het boek bevat nogal wat beschouwelijke elementen, vermengd met bespiegelingen over het eigen schrijverschap en persoonlijke ontboezemingen. Ondanks deze onconventionele vorm is Het meisje met het hoofddoekje nogal conventioneel van stijl, het blijft uiteindelijk een journalistiek verslag van een klassieke reddingsfantasie.

De roman van Vuijsje is ook onconventioneel te noemen en hier is dat voornamelijk te danken aan de taal, voor zover het de taal is die gesproken wordt in sommige subculturen van jongeren en ook via sms en msn wordt verspreid. Ook hier blijven de multiculturele problemen niet onbesproken, maar dan in de vorm van snelle dialogen en gedetailleerde observaties.

David is een ontspoorde jongen die niet gered wíl worden. Niet door zijn keurige ouders, niet door zijn doodsaaie vriendin. David heeft zijn buik vol van de schijnheilige praatjes en roddels in zijn elitaire milieu, waar men ook nog eens koketteert met een joodse achtergrond. David is zelf joods, de vernietiging van grote delen van zijn familie heeft diepe indruk op hem gemaakt, daar niet van, maar voor de rest moet hij weinig hebben van het gezeur over rangen en standen tussen de nette mensen in zijn buurt.

Hem kan het niet zoveel schelen dat zijn ouders tot de intellectuele joden behoren en die van zijn jeugdliefde Naomi tot een ordinairder slag met de verkeerde beroepen en auto’s en foute hobby’s als skiën. Hij heeft er vooral last van dat hij wat donkerder is uitgevallen dan zijn vrienden en voor Marokkaan wordt aangezien. In geestige scènes noteert Vuijsje – deels in dagboekvorm – wat het betekent om als Marokkaanse jongen door het leven te gaan.

David heeft nog een andere handicap, als je het zo mag noemen, die doet denken aan de frustraties van de held uit Philip Roth’ Portnoy’s Complaint. Hij is seksueel nogal geobsedeerd en wat hij zoekt, kan hij niet vinden in Amsterdam-Zuid, maar wel in Zuid-Oost, de Bijlmer, waar de Surinaamse en Antilliaanse meisjes met hun weelderige vormen voor het grijpen liggen, zelfs voor een jood die eruit ziet als een Marokkaan, als je maar geld op zak hebt en hun lege geklets over kleren, eten en haardracht voor lief neemt.

Kogelronde sletten zijn het met gouden tanden, die zich in kelderboxen, kinderwagen in de hoek, laten gangbangen voor een paar euro. Ongetwijfeld een karikatuur, evenals de niets ontziende beschrijvingen van de zelfvoldane pseudo-intellectuelen in Amsterdam Zuid-milieus, maar uiterst vermakelijk. De roman van Vuijsje is in dit opzicht vergelijkbaar met Tirza van Arnon Grunberg, al blijft deze superieur in zijn ontleding van de vooroordelen in het blanke getto in en om de Van Eeghenstraat.

Uit Davids sessies bij zijn psychiater dokter Bornstein komen we te weten dat hij op zoek is naar iets onmogelijks: de intellectuele negerin, de vleesgeworden ideale combinatie van seksuele losbandigheid met eruditie en beschaving. Tijdens een bezoek aan Memphis ontmoet David een intellectuele zwarte vrouw, Rosalyn, ze eten samen, bezoeken musea en een concert, maar helaas. Aan dokter Bornstein moet hij achteraf melden: ‘De kwaliteiten die zorgen dat een negerin een echte negerin is, verdwijnen zodra ze een intellectueel wordt. De intellectuele negerin is net zo saai als de intellectuele witte vrouw. Het is een utopie. (…) „De intellectuele negerin is net als wij,” zei ik.’

Alleen maar nette mensen eindigt als een Hollywoodfilm. David komt erachter dat het niet zo erg is om als Marokkaan te worden beschouwd, omdat niet alle Marokkanen analfabete holbewoners uit de bergen zijn. Of zijn familie net zo zal reageren op zijn Marokkaanse vriendin als de vader van Tirza op het Marokkaanse vriendje van zijn dochter, blijft in het midden. Ook dat is trouwens nog een opmerkelijk verschil met de roman van Martin Schouten, waarin onvermijdelijk een op eerwraak beluste broer opduikt van het Marokkaanse meisje dat zijn hoofdpersoon probeert te redden.

Al met al lijkt Robert Vuijsje minder pessimistisch over de multiculturele samenleving dan zijn oudere collega. Wie het dichtst bij de waarheid zit, doet er minder toe. Wel is in dit geval Vuijsje de originelere schrijver die zonder valse sentimenten of doemscenario’s in staat is milieus te betreden die de meeste lezers alleen van de buitenkant kennen.