Een delta van dichtaders

Nederland was in de 17de eeuw een paradijs voor de letteren, met een duizelingwekkend leger van auteurs, tekstbezorgers, vertalers en bloemlezers. Van calvinistisch moralisme tot ‘Snaaxe Poëzy’.

Lezende man, anoniem schilderij ca. 1660. Rijksmuseum Amsterdam

Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt: Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1560-1700. Bert Bakker, 1054 blz, € 59,95

Hoe zag de Nederlandse bestsellerlijst van 1600 eruit? En van 1650 en van 1700? In navolging van het zogeheten IJkpuntenproject van enkele jaren geleden zouden uit een dergelijke reeks lijstjes, niet de identiteit maar dan toch zeker wel de preoccupaties van de Nederlander te destilleren zijn. De bijbel, de catechismus en psalmboeken zouden hoog scoren, en verder reisverhalen, gedichten over alle mogelijke onderwerpen en verder Cats, veel Cats, met berijmde beschouwingen over het dagelijks leven met een moraliserende ondertoon. Hij behaalde oplagen waar schrijvers van nu alleen maar van dromen: die liepen, voor verschillende titlels, in de tienduizenden. En dat op een bevolking van nog geen twee miljoen.

Dergelijke lijstjes werden niet gemaakt. Er bestonden wel uitgevers en boekhandels – zeer veel zelfs naar Europese maatstaven gemeten – maar geen CPNB. Er waren wel kranten, maar de serieuze literaire kritiek kwam pas aan het eind van die eeuw van de grond. Toch is een dergelijke reconstructie mogelijk en wel aan de hand van het aantal drukken van populaire titels, met behulp van fondscatalogi van uitgeverijen en door de bestudering van boekveilingcatalogi.

In het nieuwe deel van de door de Nederlandse Taalunie geëntameerde ‘Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur’ die uiteindelijk zeven delen zal beslaan, staan dergelijke lijstjes niet. Wel berichten de auteurs van het recente deel over de periode 1560-1700 herhaaldelijk hoe populair bepaalde genres en titels waren. Dat past in hun ‘functionalistische benadering’ waarbij ze systematisch het functioneren van de literatuur behandelen, naast de ‘immanent’ literaire ontwikkelingen. Anders gezegd, de context waarin de literatuur tot stand kwam wordt telkens belicht; de politieke en maatschappelijke situatie, de rol van drukkers en uitgevers, de verbanden waarbinnen literatuur ontstond, zoals rederijkerkamers, vriendenkringen, geleerdenclubjes en bijbelkringen. En ook is er aandacht voor de doelgroep, de lezers.

Het boek is geschreven door twee kenners van deze periode, Mieke Smits- Veldt, voormalig docente aan de Universiteit van Amsterdam en de Leuvense emeritus-hoogleraar Karel Porteman. Zij hebben er een reusachtige hoeveelheid onderzoek in verwerkt, scripties, onuitgegeven dissertaties, artikelen in bundels en libri amicorum, tot nu toe alleen gelezen door vakgenoten. Hier ligt de rechtvaardiging van al dat nijvere detailonderzoek. Een nieuw vaderland voor de muzen is een standaardwerk van encyclopedische aard, niet bedoeld om achter elkaar uit te lezen, maar om ontwikkelingen van de verschillende genres in op te zoeken of om te lezen over de literatuur in een bepaald tijdvak binnen de 17de eeuw.

De samenwerking tussen de auteurs aan dit uitvoerige en gedetailleerde boek moet goed zijn geweest, misschien is er ook een rigide redactie geweest, in ieder geval is van stijlbreuken niets te merken. Het boek is glashelder geschreven, zonder jargon, maar ook zonder particuliere accenten, waardoor het ook een zekere mate van afstandelijkheid bezit. Het bijzondere van dit deel is dat, al gingen Noord en Zuid in de onderhavige periode uit elkaar, toch de literatuur van het katholieke zuiden en het overwegend protestante noorden gelijkelijk behandeld zijn. Ook in Vlaanderen zal dit boek zijn weg vinden. Het is een indrukwekkend monument voor de 17de-eeuwse Nederlandse literatuur.

De titel Een nieuw vaderland voor de muzen slaat op de schone kunsten (de muzen), in het bijzonder op de dichtkunst, die opgenomen worden in een jonge staat, Nederland, met een jonge taal die nog niet eens tot wasdom is gekomen. Schrijvers zoeken naar vorm en inhoud en nemen klassieke teksten tot voorbeeld. De Parnassus werd verplaatst naar de polder. De inhoud krijgt al snel een politieke invulling, met name de dichtkunst staat in dienst van de politiek. Er wordt propaganda gemaakt voor Willem van Oranje, de grote vrijheidsdrang wordt bezongen, het idee van een ideaal vaderland krijgt gestalte.

Wanneer de Spanjaarden eenmaal uit de noordelijke gewesten vertrokken zijn en er een stabiele maatschappelijke ordening tot stand is gekomen, voltrekt zich een onstuitbare ontplooiing van de Nederlandse literatuur, die parallel loopt met en een gevolg is van de economische schaalvergroting. Het zou een bloeiende burgerlijke literatuur worden, hecht doortrokken van de klassieken en van de christelijke mentaliteit.

De omstandigheden waren ideaal: tussen de duizenden Vlamingen en Brabanders die na de val van Antwerpen naar het noorden waren getrokken bevonden zich behalve drukkers en uitgevers ook intellectuelen die in de steden de literatuur creatieve impulsen gaven. De universiteit van Leiden was een buitengewoon vruchtbare kweekschool met geniale filologen, waar mensen als Hugo de Groot en Daniël Heinsius de klassieke tragedies nieuw leven in bliezen, tot roem van het vaderland. Ze schreven die in het Latijn, maar anderen volgden hen na in het Nederlands. Nederland stond bekend om de hoge alfabetiseringsgraad; kinderen – jongens zowel als meisjes – gingen naar school en leerden lezen en later schrijven. De armsten kregen financiële steun. Zo werd een groot lezerspubliek opgekweekt. En de uitgevers waren gewiekst genoeg om alle sectoren van de lezende markt te bedienen.

In Een nieuw vaderland voor de muzen wordt volop aandacht besteed aan de minder centraal gelegen culturele centra. Amsterdam mocht dan wel Antwerpen in economische en cultureel gebied zijn opgevolgd – de stad telde omstreeks 1650 zo’n honderd drukkers en uitgevers – maar ook in Haarlem, Leiden, Dordrecht, Rotterdam, Middelburg, en in de steden in de Zuidelijke Nederlanden bleven de schone letteren bloeien. In de buitengewesten, met name in Friesland en Zeeland woonden de kleinere helden van de literaire wereld. In Zeeland bijvoorbeeld, het stamgewest van Jacob Cats en van Adriaen Valerius (van de Nederlandtsche gedenck-clanck), woonde de predikant Petrus Hondius, die een buiten met tuin bezat en in een beeldend hofdicht (Moufe-schans uit 1621) met de onwaarschijnlijk lengte van zestienduizend verzen zijn huis, tuin met medicinale kruiden, bibliotheek en rariteitenkabinet bezong, gecombineerd met filosofische en geestelijke bespiegelingen. Dit gebeurde in de tijd dat de mannen die tot de canon zouden gaan behoren al actief waren: Hooft, Bredero, Cats, Vondel, Heinsius, Huygens. Die canonisering vond plaats vanaf de jaren zestig van de 17de eeuw, toen hun verzamelde werken werden uitgegeven, bloemlezingen verschenen en zelfs biografieën werden geschreven.

Die gecanoniseerde figuren krijgen volop aandacht en meer dan in oudere literatuurgeschiedenissen lezen we over hun milieu, hun successen en hun lezers. Nadruk ligt op de grote gevarieerdheid van het literaire veld, de vele genres en subgenres, de regionale verschillen. Alles bij elkaar wordt het beeld opgeroepen van wat de auteurs ‘een bedrijfstak’ noemen, met een duizelingwekkend leger van auteurs, tekstbezorgers, vertalers en bloemlezers. Een bedrijfstak waaraan veel vrouwen deelnamen.

Er ontstond in Nederland een reusachtige productie van literaire teksten, proza, poëzie, toneel, maar ook een oeverloze stroom gedichten, rijmpjes, liedjes en liederen. Dat is een van de kenmerken van de Nederlander geweest, zo blijkt ook weer uit dit boek: zijn niet te stoppen drang tot het maken van gedichten en liedjes. De Nederlander lijkt elke vrije minuut te hebben benut voor het rijmen. Of het nu om de liefde, het voorjaar, oorlog, Sinterklaas, dood, reizen, kermis, zeeslagen, de laatste roddel over de buren en de duurte der tijden ging, de Nederlander nam direct zijn pen ter hand voor een gelegenheidsvers. De Nederlandse leeuw moet niet worden afgebeeld met zeven pijlen, maar met met zeven ganzenveren en een inktpot in een poot vol dichtaders.

Ook het zingen was een tweede natuur. Het kwam voor in alle lagen van de bevolking en bij alle gezindten. Niet alleen binnenshuis, maar ook op straat en tot verbazing van de buitenlanders ook in die andere Hollandse merkwaardigheid, de trekschuit.

Het is knap dat ondanks die gevarieerdheid in genres, in de diversiteit in kwaliteit en mentaliteit, gevoegd bij de lokale en chronologische verschillen, de auteurs hun greep op het materiaal hebben behouden. Een van de genres die nieuwsgierig maakt is de satire. Eén dichter noemde dat zijn ‘snaaxe Poëzy’. Het bijzondere van deze schrijvers was dat zij tegelijkertijd zeer geletterde lieden waren die hun klassieken kenden en die zich bovendien uitten in serieuze, religieuze poëzie. De Haagse advocaat Aernout van Overbeeke bijvoorbeeld, fabriceerde libertijnse verzen en liet een handschrift na met zo’n 1200 deels scabreuze moppen. Diezelfde Van Overbeeke schreef een Luthers psalmboek. De dichtende drukker Hiëronymus Sweerts, ook niet wars van bedenkelijke verzen schreef een vroom werk, de Innerlycke zieltochten op ’t H. avontmaal. De Amsterdamse schilder Willem Schellinx, auteur van erotische versjes, werkte mee aan de religieuze bundel ’t Gebed onzes Heeren. Nog een voorbeeld is Matthijs van de Merwede, die gewaagde erotische poëzie publiceerde en lang in Rome leefde. Na zijn terugkeer publiceerde hij in 1653 een door en door christelijke bundel genaamd Geestelyke minne-vlammen.

Opvallend en zelfs kenmerkend is dat dergelijke libertijnen hun heil uiteindelijk ver van Nederland en zelfs buiten Europa zochten. Van Overbeeke vertrok voor jaren naar Batavia, Van de Merwede ontvluchtte het vaderland eveneens naar de Oost en stierf daar. Ook de originele dichter-arts Willem van Focquenbroch zocht het ver van huis: hij trad in dienst van de West-Indische Compagnie en werd gestationeerd op de slavenpost Elmina in het huidige Ghana. En de dichter Jacob Steendam heeft zowel in Nieuw Amsterdam als in Batavia gewoond.

Of dit een rusteloze vlucht is geweest of dat geldnood hen voortdreef, is niet altijd duidelijk. In ieder geval bieden dergelijke auteurs een tegenwicht tegen het idee dat in Nederland een sobere, moralistische, stichtelijke, door Calvijn geïnspireerde mentaliteit domineerde. Er was zoveel meer, zo besluiten de auteurs van Een nieuw vaderland voor de muzen. Zij schrijven dat juist de ‘concrete, herkenbare levensbetrokkenheid’ en het gemeenschappelijk ‘consumeren’ een sterk sociaal bindend element in Nederland is geweest. Behalve die liederen en gedichten moet daar ook het werk van Jacob Cats toe gerekend worden, de onbetwiste sterauteur van de Lage Landen. Over hem schreef zijn uitgever bij het uitkomen van de verzamelde werken in 1655 dat ze te vinden waren ‘by alle soorten van menschen tot in de abdijen ende cloosters, ende in de bibliotheecken van allerley gesinten’.