De moraal valt niet te berekenen

David Wiggins: Ethics. Twelve Lectures on the Philosophy of Morality. Penguin, 416 blz. € 35,50

De mens is een met rede begaafd wezen, vond Aristoteles, maar is de mens dankzij die rede ook van nature geneigd het goede te doen? In de geschiedenis van de filosofie springen drie antwoorden op die vraag eruit. Volgens Hume is de rede de slaaf van de passies, dus de mens doet het goede niet op redelijke gronden, maar op gevoel. Kant, daarentegen, meende dat de redenen om het goede te doen alleen uit het verstand voortkomen. Het 19de-eeuwse utilisme, ten slotte, stelde dat het goede datgene is wat het beste is voor het grootste aantal mensen.

In Ethics. Twelve Lectures on the Philosophy of Morality gebruikt de Engelse filosoof David Wiggins deze drie antwoorden als bakens voor zijn eigen denken, met op de achtergrond Aristoteles’ beeld van de goede mens als een schipper die zijn boot onder wisselende omstandigheden telkens veilig naar de thuishaven brengt.

Uitgangspunt van Wiggins is dat filosofen eerst moeten nagaan wat moreel handelen eigenlijk is, voor ze daarover kunnen gaan theoretiseren. Dit klinkt als een platitude, maar is het niet. Ten eerste, omdat zij vooronderstelt dat de mens van nature geneigd is het goede te doen. Ten tweede, omdat hieruit volgt dat een ethische theorie moet appelleren aan een ethische praktijk, in plaats van andersom. Moraal is dus geen kunstmatige, opgelegde vorm van gedrag, maar een natuurlijke.

Dat is volgens Wiggins ook de betekenis van Hume’s slogan ‘de rede is de slaaf van de passies’. Morele gevoelens behoren onlosmakelijk tot het menselijk bestaan en kunnen niet gereduceerd worden tot egoïsme, of ons eigen plezier, simpelweg omdat ze gericht zijn op medemensen.

Dit lijkt op de gouden regel van Kant: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt doet dat ook een ander niet.’ Hume’s ethiek is in Wiggins’ lezing dan ook niet een rivaal van die van Kant, maar er nauw aan verwant. Ze verschillen op dit punt: waar Hume meent dat sympathie voor de medemens een primitief gegeven is, daar zegt Kant dat die voortkomt uit de menselijke rede. Waar volgens Hume de mens het goede doet uit een morele impuls, daar eist Kant een moment van reflectie om na te gaan of een handeling wel in overeenstemming met de gouden regel is.

Een bekend bezwaar tegen Kants morele psychologie is dat die één gedachte teveel vraagt. Wanneer twee buurvrouwen in een auto te water raken, zal één van hen zich toch achter de oren krabben, wanneer de buurman zich eerst afvraagt wie van de twee hij volgens de gouden regel als eerste moet redden. Hij moet van Kant zijn morele impulsen negeren en van buiten de moraal beredeneren wat het goede is.

Heeft Wiggins voor Kant nog enige waardering, voor het utilisme heeft hij niets dan minachting. Wie denkt dat het goede te berekenen valt, maakt de moraal kapot. Een consequentie van het utilisme is bijvoorbeeld dat het beter is dat mensen die lijden sterven, omdat ze het gemiddelde welzijnsniveau verlagen.

Deze kritiek is actueel en urgent, omdat het utilisme nog steeds het beleid in de publieke arena bepaalt. Wiggins spreekt bitter over de onderdrukking uit naam van het management in de huidige maatschappij. Hij verafschuwt de utilistische denktrant, zoals die zich manifesteert in het onteigenen van land van nomaden omwille van ‘de vooruitgang’ en in de uitholling van het onderwijs ten bate van ‘de efficiency’.

Dit is een rijk boek vol inzichten en redeneringen daarvoor, dat nauwkeurige lezing en herlezing eist. Wie die moeite neemt, verrijkt zichzelf, want Wiggins’ standpunt is zo overtuigend dat wie het begrepen heeft niet anders kan dan het tot de zijne of hare maken. Dit is filosofie op het allerhoogste niveau.

    • Menno Lievers