Dat had míj kunnen gebeuren

De erkenning van mensenrechten is een tamelijk recent verschijnsel. De Amerikaanse historica Lynn Hunt geeft een verklaring voor de snelle acceptatie ervan.

Straf voor een slaaf, een ongedateerde, ingekleurde gravure Getty Images Inc. Whipping a slave in punishment (coloured engraving) Getty Images/The Bridgeman Art L

Lynn Hunt: Inventing Human Rights: A History. Norton, 272 blz. € 29,25

Ook dingen die vanzelf spreken, hebben een geschiedenis. Soms is die geschiedenis korter dan we denken. De mensenrechten worden sinds de Tweede Wereldoorlog beschouwd als de grondslag van een universele, wereldwijde ethiek, een ‘global morality’ voor een globaliserende wereld. De Universal Declaration of Human Rights, aangenomen door de Verenigde Naties in 1948, is wel de seculiere Bijbel van onze tijd genoemd. Wereldhistorisch gezien is het denkbeeld dat alle mensen aanspraak kunnen maken op dezelfde grondrechten echter tamelijk recent. De titel van het nieuwe boek van de Amerikaanse historica Lynn Hunt is in dat opzicht programmatisch. De mensenrechten zijn geen ontdekking van iets dat er objectief altijd al was, maar eerder een uitvinding, een nieuwe manier van kijken naar de samenleving.

Hunts stelling is dat de overtuiging dat alle mensen rechten hebben, of in elk geval behoren te hebben, aan het begin van de 18de eeuw wel bestond, maar politiek machteloos was. Daarna veranderde dat snel en spectaculair. De Amerikaanse Declaration of Independence (1776) en de Franse Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (1789) hadden een wereldwijde politieke uitstraling. Dat roept de vraag op hoe de mensenrechten in vrij korte tijd de status van universele en gezaghebbende waarheden konden verkrijgen.

Hunt beantwoordt deze vraag aan de hand van drie ontwikkelingen: ten eerste de toename van het bereik van empathie, het inlevingsvermogen met het leven en lijden van anderen; ten tweede de opkomst van de notie van de onschendbaarheid van het lichaam en de persoonlijkheid van ieder mens, en ten derde de politieke en psychologische consequenties van de verklaringen van 1776 en 1789, waarin de gelijkheid van alle mensen voor het eerst een door de staat geproclameerde waarheid werd. De opkomst van een egalitaire empathie documenteert Hunt vooral met de populaire romans van Samuel Richardson in Engeland en Jean Jacques Rousseau in Frankrijk. Voor de onschendbaarheid van het individu baseert ze zich op de filosofische en juridische debatten over de afschaffing van de foltering.

Volgens Hunt zijn we in de 18de eeuw getuige van een democratisering van het medegevoel. Mensen gingen zich verplaatsen in anderen, ook over de grenzen van stand en religie heen. De titelheldin van Richardsons Pamela is geen gravin maar een eenvoudige dienstbode. De ongelukkige liefde van Rousseaus Julie, die door haar vader gedwongen wordt ‘op stand’ te huwen en haar niet-aristocratische geliefde op te geven, deed regelmatig complete leesgezelschappen wenend in elkanders armen vallen. De gedachte ‘dat had mij ook kunnen gebeuren’ gaf voedsel aan de overtuiging dat onbekenden evenveel recht hadden op geluk en vrijheid. Het filosofische denkbeeld van de gelijke natuur van alle mensen kreeg een psychologische pendant.

Lijfstraffen

De discussie over foltering raakte eveneens een gevoelige snaar. Er waren, zo meenden steeds meer mensen, grenzen aan wat je een medemens mocht aandoen, zelfs als die medemens zich aan ijselijke misdaden schuldig had gemaakt. Het openbaar voltrekken van lijfstraffen verontreinigde bovendien de publieke moraal. Foltering was een laaghartig kermisvermaak dat de toeschouwers moreel omlaag haalde. In het verlengde daarvan kon de overtuiging postvatten dat wreedheid niet thuishoorde in een beschaafde samenleving. Uiteindelijk komen we uit bij een gedachte die verwant is aan het hedendaagse ‘recht op privacy’, de opvatting dat het menselijk individu recht heeft op een fysieke en psychologische vrije ruimte waarin de staatsmacht niet bevoegd is door te dringen. Dankzij de sentimentele romans en de campagne tegen foltering en wreedheid, zegt Hunt, veranderden de mensenrechten van een abstract filosofisch begrip in iets waarmee gewone mensen zich konden identificeren. Dat verklaart de politieke hartstochten die erdoor werden opgeroepen. Het geloof in de mensenrechten werd een wereldlijke religie.

Tegelijk behield het discours van de mensenrechten zijn filosofische abstractheid. Ook dat was belangrijk, want abstracte begrippen geven niet zelf aan waar hun geldigheid ophoudt. Door de mensenrechten in een openbare verklaring op te nemen, introduceerden de Franse revolutionairen een nieuwe politieke taal, een nieuwe manier om over de mens, de burger en de staat te spreken. In beginsel werd het denkbaar dat iedereen rechten had, maar in de praktijk trok de politiek wisselende grenzen. De Franse revolutionairen meenden bijvoorbeeld dat ook ‘zwarten’ rechten hadden en schaften de slavernij af, maar Napoleon voerde die weer in, en daarna bleef ze bestaan totdat de Tweede Republiek haar in 1848 definitief afschafte. Vrouwen verging het minder goed. Ze kregen het kiesrecht pas in 1945, meer dan anderhalve eeuw na de revolutie. De voorstanders van volledige burgerrechten voor vrouwen vormden slechts een kleine minderheid in 1789. Hunt verklaart de uitsluiting van vrouwen uit de opkomst van nieuwe (‘moderne’) theorieën over de vrouwelijke natuur, maar ze legt niet uit waarom de empathie hier ineens niet werkte. Dat klemt des te meer omdat de romans die ze in haar boek aanvoert als bronnen voor een nieuwe egalitaire empathie vrijwel allemaal vrouwelijke hoofdpersonen hebben.

Confuciaan

In haar slothoofdstuk schetst Hunt de geschiedenis van de mensenrechten in de 19de en 20ste eeuw. Hier gaat het verhaal erg snel en overtuigt het minder. De Universal Declaration of Human Rights had meer aandacht verdiend. Voor zijn tijd (1948) was het een opmerkelijk radicaal document dat iedereen ter wereld dezelfde rechten toekende. Het was echter geen juridisch bindend verdrag. Het antidiscriminatie-artikel in de Nederlandse Grondwet is wel bindend, maar het werd pas ingevoerd in 1983. De opstelling van de Universal Declaration was niet zo’n westerse aangelegenheid als men soms denkt. In de voorbereidingscommissie zaten naast Europeanen en Amerikanen een confuciaan uit China, een Libanese heterodox-christelijke filosoof, en een feministisch gezinde Indiase politica. Deze diversiteit was geen bijkomstige zaak. Hunt had hier een interessante vergelijking kunnen maken met de 18de-eeuwse Amerikaanse en Franse verklaringen die veel uitdrukkelijker op het christendom en de Europese Verlichting gebaseerd waren. Ook was het interessant geweest iets te vertellen over de twee Statements on Race die de UNESCO in 1950 en 1951 opstelde. De eerste verklaring stelde voor het begrip ‘ras’ af te schaffen en het te vervangen door ‘etnische groep’, maar de tweede verklaring, opgesteld na kritiek van biologen en genetici, gaf ‘ras’ toch weer enige wetenschappelijke status.

Lynn Hunt geeft een belangrijke, en grotendeels overtuigende, historische verklaring voor de snelle opmars van de mensenrechten aan het einde van de 18de eeuw. Het is jammer dat haar verhaal over de 20ste-eeuwse human rights revolution dat niveau niet weet vast te houden.

    • Siep Stuurman