Chadors in de Gouden Eeuw

Hendrick Avercamp: Winterlandschap met ijsvermaak, 1608 (detail) ijspret

Op de gevel van het Rijksmuseum hangt een grote reproductie van een winterlandschap van Hendrick Avercamp. Het is een schilderij uit 1608, toen misschien realistisch, nu een wens: zo zouden winters er in Nederland nog steeds uit moeten zien, met natuurijs dik genoeg om niet onder de gezellige drukte te bezwijken. Het stoplicht staat op rood en dat geeft niet, er is genoeg te kijken, te herkennen, te ontdekken. Spelende kinderen, sjouwende vrouwen, zwierende paartjes. IJshockey! Toen al? Het licht wordt groen en in plaats van de bocht te nemen, rij ik rechtdoor, de stoep op. Wat zijn dat? Op het schilderij staat een aantal vrouwen in chador. Hadden ze die toen ook al in Nederland? Chadors, van die zwarte, alles bedekkende gewaden die nu in Iran van elke vrouw een driehoek maken. Thuis bel ik het museum op. Het zijn geen chadors, zegt Bianca du Mortier, kostuumconservator van het Rijksmuseum, maar huiken of heuken, een soort mouwloze mantel, een tent die vanaf het hoofd tot aan de enkels afhangt en het héle lichaam omsluit.

Huiken beschermen niet tegen blikken, maar tegen de elementen. Tegen regen, wind en kou in plaats van tegen nieuwsgierigheid en lust. Toch is de overeenkomst meer dan toeval. De heuk stamt uit Noord-Afrika. Het woord gaat terug op het Algerijnse ‘haik’. Via Spanje is het kledingstuk in de Middeleeuwen in Nederland terecht gekomen. Tot in de negentiende eeuw werd hij nog op het platteland gedragen, bijvoorbeeld als rouwheuke.

De huik roept de vraag op naar de oorsprong van de sluier. Is de sluier net zoiets als het schrift, dat een paar maal is uitgevonden, in China, in Egypte, in Mesopotamië. Of zou hij op één plek ontstaan zijn en toen uitgewaaierd over vele landen en streken, onderweg van betekenis of van vorm veranderend, nu eens door vrouwen gedragen en dan weer door mannen. Van haik tot huik.

Als de tweede mogelijkheid de juiste is, heeft Mesopotamië net als bij het schrift de oudste papieren. In een Assyrische wet van drieduizend jaar geleden is nog te lezen: ‘Vrouwen, of ze nu getrouwd zijn of weduwen of Assyrische vrouwen, die de straat opgaan mogen hun hoofd niet onbedekt laten.’ De wet heeft die poëtische combinatie van precisie en vaagheid die oude, moeilijk te vertalen teksten vaak kenmerkt. Zijn ongetrouwde vrouwen geen Assyrische vrouwen? Ook is vastgelegd wie zich niet mocht sluieren. Prostituees en slavinnen die zonder hun meesters op straat zijn. Wie het toch deed en werd betrapt, kreeg pek op het hoofd gegoten.

Praat mee op nrc.nl/cultuurblog

    • Bianca Stigter