Belegger Bear kan geen kant op

Heel wat aandeelhouders van Bear Stearns zijn niet blij met de overname door JP Morgan. Maar het akkoord aanvechten is niet eenvoudig.

Het is niet moeilijk te begrijpen waarom sommige aandeelhouders van de Amerikaanse zakenbank Bear Stearns zich verongelijkt voelen, zelfs na de verhoging van het bod van JP Morgan tot 10 dollar per aandeel. Een paar weken geleden konden ze nog 70 dollar per aandeel krijgen. Neem daarbij in aanmerking dat hun stem bij het definitieve besluit over de transactie weinig gewicht in de schaal legt en de aandeelhouders zullen flink geïrriteerd zijn. Maar wat kunnen ze doen?

Velen zullen de overeenkomst uiteindelijk met frisse tegenzin aanvaarden, in de overtuiging dat dat de enige realistische mogelijkheid is. Anderen zullen misschien rechtszaken aanspannen. Maar zij konden er wel eens een hele kluif aan hebben de prijs of de overnamevoorwaarden juridisch aan te vechten. Ze maken de meeste kans als ze beweren dat de top van het bedrijf misleidende uitspraken heeft gedaan.

Neem de prijs. Miljardair-belegger Joe Lewis is in mineurstemming, omdat hij gemiddeld zo’n 100 dollar heeft betaald voor elk van zijn Bear Stearns-aandelen. Het pensioenfonds van de politie en brandweer van Detroit heeft op 21 maart een klacht ingediend, op grond van de overweging dat het aanvankelijke bod (van 2 dollar per aandeel) niet in verhouding stond tot de werkelijke waarde van Bear Stearns. Maar om meer te ontvangen dan 10 dollar per aandeel zullen de misnoegde aandeelhouders een rechter ervan moeten zien te overtuigen dat het nieuwe bod van JP Morgan-topman Jamie Dimon onredelijk is. Omdat Bear Stearns insolvabel was toen de oorspronkelijke overeenkomst werd gesloten, vertegenwoordigen de aandelen in feite nul en generlei waarde. Een rechter kan makkelijk tot de slotsom komen dat 10 dollar – of zelfs 2 dollar – per aandeel beter is dan niets.

Aandeelhouders kunnen ook proberen de voorwaarden van de overname aan te vechten. In de oorspronkelijke overeenkomst was JP Morgan ongewoon goed beschermd. Afgezien van het recht om het hoofdkantoor van Bear Stearns te kopen en 20 procent van de aandelen tegen ongeveer 2 dollar per aandeel, kreeg JP Morgan het recht om de activiteiten van Bear Stearns onder zijn hoede te nemen – wat op een feitelijke garantiestelling neerkwam. De problemen bij het ontwarren van deze relatie zou tot procederen geneigde aandeelhouders stof tot nadenken kunnen geven.

De op 24 maart bekendgemaakte nieuwe overeenkomst biedt JP Morgan zelfs nog meer bescherming. Behalve het bod verhogen, zal de bank 39,5 procent van de aandelen van Bear Stearns kopen – een transactie die feitelijk kostenloos zou kunnen blijken te zijn, omdat JP Morgan geld betaalt aan een bedrijf dat op hetzelfde moment wordt overgenomen. Normaal gesproken vereisen de regels van de New Yorkse beurs (NYSE) de goedkeuring van zo’n transactie door de aandeelhouders. Maar op grond van een speciale bepaling in het beursreglement kan een bedrijf deze eis omzeilen als uitstel zijn financiële levensvatbaarheid in gevaar zou brengen. Ervan uitgaande dat de NYSE geen protest zal aantekenen, laat de eigendomspositie van JP Morgan weinig ruimte voor twijfel over de uitkomst van zo’n stemming onder de aandeelhouders van Bear Stearns.

Een rechtbank zou zich afkeurend kunnen uitlaten over het feit dat JP Morgan de aandeelhouders confronteert met iets dat veel wegheeft van een voldongen feit. Maar de bank heeft een troefkaart achter de hand: de Federal Reserve (het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken), die de overname heeft mogelijk gemaakt. Diens visie op de levensvatbaarheid van Bear Stearns aan de vooravond van de oorspronkelijke overeenkomst – en diens inschatting van de problemen voor het financiële systeem die een ondergang zou hebben veroorzaakt – zou veel gewicht in de schaal leggen.

Aandeelhouders van Bear Stearns zouden ook aan de orde kunnen stellen dat JP Morgan met twee maten lijkt te meten als het om vergoedingen gaat. Sommige topfunctionarissen van Bear Stearns, die tevens aandeelhouder zijn, krijgen een verbetering van hun bonuspakket aangeboden, in een poging hen te verleiden om te blijven. Aandeelhouders zouden deze schijnbare rechtsongelijkheid juridisch kunnen aanvechten. Maar dit soort bonusverbeteringen is gebruikelijk bij overnames en kan misschien best door de beugel.

Er is één argument dat bij een rechter weerklank zou kunnen vinden: dat de top van Bear Stearns zich in het openbaar te optimistisch heeft uitgelaten over de vooruitzichten. Functionarissen hebben de aandeelhouders er diverse malen van verzekerd dat de balans van de bank op orde was, zelfs vlak voordat de firma onderuitging. Uiteraard hebben zij dat wellicht niet zien aankomen – in de financiële wereld voltrekken de ontwikkelingen zich soms razendsnel en zonder waarschuwing vooraf.

Maar als de aandeelhouders kunnen bewijzen dat zij aandelen hebben gekocht op basis van misleidende uitspraken, zouden ze misschien een deel van hun verliezen kunnen terugkrijgen. JP Morgan heeft 6 miljard dollar opzijgezet voor met de transactie samenhangende kosten, waaronder mogelijke juridische kosten – ruwweg 40 dollar per aandeel. Verongelijkte aandeelhouders zouden zelfs een bescheiden deel van dat bedrag de moeite waard kunnen vinden.

© Breaking views. Vertaling Menno Grootveld

    • Lauren Silva