Alleen op de wereld, in het bos tussen de hippies

Peter Carey: His Illegal Self. Faber and Faber, 300 blz. € 28,–

Peter Carey: His Illegal Self. Faber and Faber, 300 blz. € 28,–

Het is 1972. De zevenjarige Che woont bij zijn grootmoeder in New York. Zijn ouders zijn geradicaliseerde studenten die op de vlucht zijn voor de politie. Che kan hen zich niet herinneren, maar weet zeker dat ze hem zullen komen halen. Als op een dag een vrouw uit de lift stapt, is er geen ruimte voor twijfel: dit is zijn moeder, die hem mee zal nemen naar zijn vader. De vrouw wil alleen dat hij haar Dial noemt, en geen ‘mama’. In plaats van hem naar zijn vader te brengen, neemt ze hem mee op een chaotische reis die eindigt in een onherbergzaam stuk regenwoud in Australië, tussen hippies en andere outsiders.

Even denk je dat Peter Carey met His Illegal Self een historische roman over de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw heeft willen schrijven, maar al gauw blijkt dat het hem niet om het tijdsbeeld gaat. Het draait om Che, die zich naast een vrouw die hij nooit eerder heeft ontmoet, moet zien te handhaven in een omgeving die hem niet goed is gezind.

Carey vertelt het verhaal van de jonge Che in een kale stijl, die het boek vaart geeft maar ook iets nadrukkelijks. De korte zinnen werken als een spervuur waarbij elke kogel even belangrijk is als de vorige. Zo blijft de spanningsboog intact, maar dat gaat ten koste van de dynamiek. Bovendien is het een stijl die zijn best doet laconiek en terloops over te komen, maar zorgvuldig is geconstrueerd en iets te gretig solliciteert naar een poëtische interpretatie. Ook bij een schrijver als Cormac McCarthy vind je dit terug.

Dat wil niet zeggen dat zo’n stijl niet werkt; met zijn compacte proza weet Carey heel goed de onheilszwangere atmosfeer over te brengen van de omgeving waarin Che en Dial zijn terechtgekomen. Die dreiging wordt nergens expliciet, maar ontstaat uit het samenspel van op het oog neutrale beschrijvingen van omgeving, personen en handelingen.

Wat Che ondanks alle ontberingen op de been houdt, is de rotsvaste overtuiging dat zijn vader naar hem onderweg is. Omdat het vertelperspectief regelmatig wisselt tussen Che en Dial weten we lang voordat Che er zelf achter komt, dat zijn hoop vergeefs is; hij is in feite alleen op de wereld. ‘When is my daddy going to come and get me?’ vraagt hij op een gegeven moment. Je hóórt het hem vragen, met een ernstige, bijna dwingende kinderstem, en de tranen springen je in de ogen.

Dat is een goedkoop effect – zo reageer je dan meteen. Alsof Carey vals speelt door er op vakkundige wijze voor te zorgen dat we ontroerd raken. Als lezer willen we toch liever op wat statiger wijze worden ontroerd, bij voorkeur door volwassenen die een beetje op ons lijken en ons een spiegel voorhouden waarin we met droge ogen kunnen kijken. Met andere woorden: Carey heeft ons mooi te pakken. Hij creëert een ontroerend kind en de lezer voelt zich betrapt.

Uiteindelijk loopt alles nog redelijk goed af. Je gunt het Che, maar toch: hoe treffend hij ook beschreven is met zijn gedachten, bezweringen en kleine verzamelingen van alledaagse objecten, een klassiek personage wordt hij niet. Niet Che blijft je bij, maar de zorgen die je je om hem hebt gemaakt – en niet eens om hém, maar om jezelf, en dat is nu juist het probleem.

De manier waarop Carey de angsten van Che beschrijft, roept meteen herinneringen op aan onze eigen kinderangsten, met een kracht waardoor Che zelf bijna uit het boek wordt geblazen. Is Carey hier zijn doel voorbij geschoten of moet de lezer zichzelf bestraffend toespreken omdat hij alles te veel op zichzelf betrekt? Je wilt het boek meteen een tweede keer lezen om te kijken of je er deze keer beter tegen kan.

    • Rob van Essen