Pensioenplannen: herschikking bij Griekse oppositie

De Griekse oppositieleider Jorgos Papandre-ou heeft gisteren een motie van wantrouwen ingediend tegen de conservatieve regering-Karamanlís. Zij maakt geen schijn van kans, want de regering beschikt over een weliswaar kleine, maar hechte meerderheid van 152 van de 300 zetels in het parlement.

Het eerste resultaat is dat de aanvaarding van de omstreden pensioenwet opnieuw enkele dagen moest worden uitgesteld, omdat een motie van wantrouwen voorrang heeft. Tot en met morgen wordt daarover gediscussieerd. Daarin zal het ook weer gaan over de pensioenherziening, die in peilingen door 75 procent van de bevolking wordt afgewezen.

Volgens de pensioenplannen gaan de meeste werknemers, vooral vrouwen, er na 2013 op achteruit. Vervroegd stoppen met werken wordt vanaf volgend jaar financieel onaantrekkelijker gemaakt. De verlammende stakingen ertegen zijn opgeschort, maar de vakbonden hebben wel nieuwe acties aangekondigd.

Het eigenlijke motief voor de kansloze motie is het feit dat Papandreou met zijn PASOK-partij niet achter wil blijven bij de radicaal linkse SYRIZA-partij die de laatste tijd in de peilingen een stormachtige opmars laat zien en zich steeds meer gedraagt als de eigenlijke oppositiepartij.

SYRIZA-leider Alékos Alavánis is, eerder dan Papandreou, op het idee gekomen een referendum over de omstreden wet aan te vragen. Intussen willen alle oppositiepartijen dat, maar ook dat plan maakt geen kans, omdat de vereiste drievijfde meerderheid (180 zetels) ontbreekt.

Papandreou’s manoeuvre wordt gezien als signaal aan SYRIZA: wij zijn er ook nog! Deze partij, die enkele jaren geleden nog moest vechten om de kiesdrempel (drie procent) te halen, is de laatste maanden als een komeet opgekomen.

Bij de verkiezingen van september haalde SYRIZA zes procent, in de recentste peilingen staat ze op 17 á 18 procent. Dit wordt vooral toegeschreven aan Aléxis Tsípras (33), die sinds kort voorzitter is en zich snel razend populair heeft weten te maken, ook buiten zijn eigen partij. Van de opkomst van de ‘nieuwe socialisten’ heeft de PASOK het meest te lijden.