Michel Fourniret: Ik ben erger dan Dutroux

In het Franse Charleville-Mézières is vandaag het proces gestart tegen Michel Fourniret en Monique Olivier wegens seriemoord.

Zijn laatste prooi, de 13-jarige Belgische Marie-Asuncion K., wilde weten of haar ontvoerder soms voor Marc Dutroux werkte. „Ik ben erger dan Dutroux”, had Michel Fourniret geantwoord.

Nochtans wist Marie-Asuncion zich aan de greep van haar kidnapper te ontworstelen en de politie van nuttige tips te voorzien. Vier dagen later, op 26 juni 2003, kon hij worden aangehouden.

Daarmee kwam een eind aan een reeks ontvoeringen, verkrachtingen en moorden in de Frans-Belgische grensstreek, waarin ‘het monster van de Ardennen’ met zijn echtgenote Monique Olivier de hand zou hebben gehad.

Het onderzoek bracht niet alleen frappante parallellen met de zaak-Dutroux aan het licht – andermaal een ‘duivelskoppel’ dat jarenlang zijn perverse obsessies zou hebben kunnen uitleven –, maar legde ook een schrijnend gebrek aan grensoverschrijdende samenwerking van nationale politie- en justitiediensten bloot.

Michel Fourniret (65) en Monique Olivier (59) vonden elkaar halverwege de jaren tachtig. Hij was zelfstandig industrieel ontwerper in Charleville-Mézières in de Franse Ardennen, had twee mislukte huwelijken beleefd en zat een tweede celstraf uit wegens aanranding van minderjarige meisjes.

Olivier reageerde op zijn contactadvertentie in een katholiek weekblad. Ze had in Nantes een secretaresseopleiding afgebroken en eveneens twee huwelijken zien strandden. Uit het dossier blijkt dat ze toen schriftelijk al de basis legden voor wat een ‘crimineel pact’ wordt genoemd: hij beloofde haar te helpen om haar eerste ex-man te vermoorden, in ruil waarvoor zij hem zou helpen aan maagdelijke meisjes.

Toen Fourniret in oktober 1987 (vervroegd) vrijkwam, wachtte zij hem op. In december van dat jaar zouden ze in Auxerre hun eerste slachtoffer hebben opgepikt. Tot hun arrestatie in 2003 zouden er zowel in Frankrijk als in België nog zeker zes volgen. Allen tussen de 12 en 21 jaar en, na seksueel misbruik, vermoord en gedumpt.

Fourniret en Olivier verhuisden begin jaren negentig naar België. De Belgische autoriteiten vernamen pas na Fournirets aanhouding van zijn reputatie in zedendelicten in Frankrijk.

Het duo heeft (gedeeltelijke) bekentenissen afgelegd. De lichamen van vier slachtoffers werden na de misdrijven gevonden in bossen. De andere drie werden op aanwijzingen van Fourniret en Olivier opgegraven, respectievelijk 19 en 15 jaar na hun verdwijningen.

Negen zielkundigen bogen zich over hen. Fourniret noemen ze „extreem agressief en sadistisch” en „pervers” en „een psychopaat, een narcist”, die zijn daden verklaart uit „een onbedwingbare drang naar maagdelijkheid”.

Olivier putte volgens de experts „plezier en genot” uit haar deelname aan de delicten. „Ze hadden elkaar nodig om hun fantasie uit te leven. Zij was de lucifer. Hij het dynamiet.” Beiden worden volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Fourniret worden de zeven ontvoeringen, verkrachtingen en moorden ten laste gelegd, alsmede een poging tot verkrachting en een tweetal mislukte ontvoeringen. Olivier wordt beschuldigd van één moord en medeplichtigheid aan de overige zaken.

Mogelijk volgt nog een tweede rechtszaak over drie andere moorden die Fourniret zou hebben gepleegd en waarvan hij er ook een heeft bekend. Die bekentenis betreft het uit de weg ruimen (eind jaren tachtig) van de 31-jarige vrouw van een ex-celgenoot om de buit van diens bankovervallen te bemachtigen. Daarmee financierde Fourniret de aankoop van het kasteel van Sautou in Donchéry, in de tuin waarvan in juli 2004 twee slachtoffers werden opgegraven.