‘Ik voorspel terreur in volle bussen’

De Algerijnse GSPC was in 2006 zwaar in het defensief. Maar met nieuwe tactieken geënt op de methodes van Al-Qaeda is de groep het afgelopen jaar weer veel gevaarlijker geworden.

Een Algerijnse explosievenexpert neemt foto’s op de plaats van een zelfmoordaanslag op een politiebureau in Naciria, 50 kilometer ten oosten van Algiers, op 2 januari. Foto AFP An Algerian bomb expert takes pictures at the site of a suicide car bomb attack in front of a police station in Naciria, 50 kilometres (30 miles) east of the Algerian capital, 02 January 2008. A suicide bomber stormed by a car into the police station killing three people. AFP PHOTO/FAYEZ NURELDINE AFP

Nabil, 28, in Afghaanse kledij gehuld, imposante zwarte baard, heeft geen gram sympathie voor de zelfmoordterroristen die de Algerijnse staat onderuit willen halen, zegt hij. „Ik wil ook wel dat Algerije een islamitische republiek wordt, maar niet op de manier van de Talibaan. Waarom zou je zomaar politie-agenten of soldaten gaan doden? Dat zijn toch ook jouw islamitische broeders!” Maar de andere kant is de doffe uitzichtloosheid hier in het westen van Algiers. „Voor veel jongeren hier blijft dat de enige tastbare realiteit.”

Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb, zoals de Algerijnse Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (GSPC) zich sinds anderhalf jaar noemt, doet sindsdien met regelmaat van zich horen met zelfmoordaanslagen. Veel Algerijnen vrezen voor meer politiek geweld. Je voelt het in de straten in het centrum van Algiers dat, zo gauw de zon gaat zakken, leegloopt. Hier en daar snelt nog een schim huiswaarts. De angst is voelbaar en drukt ook overdag de stemming onder de mensen.

Nabil kent het Algerijnse extremistische milieu goed. Hij was ooit zelf een volgeling van een van de meest radicale imams die in zijn vrijdagpreek jonge Algerijnen op het pad van de internationale jihad leidde, naar de heilige oorlog in Afghanistan en later in Bosnië, Tsjetsjenië en Irak. „Hij is al een paar jaar dood, die imam. Vroeger was ik zoals de meeste jongeren makkelijk geïndoctrineerd, maar nu bereiken de extremisten met hun oproepen haast niemand meer.”

De hoofdredacteur van de Franstalige onafhankelijke krant Liberté, Mounir Boudjema, zegt dat de GSPC in 2006 inderdaad op sterven na dood was en niet langer in staat om frontale aanvallen op de veiligheidsdiensten uit te voeren. „De organisatie is meer en meer in het nauw gedreven maar paradoxaal genoeg nu véél gevaarlijker”, aldus Boudjema.

„Na de aanslagen in de Verenigde Staten in september 2001 is terreurbestrijding overal in een stroomversnelling gekomen, en ook hier werden de gewapende groepen en ondersteuningsnetwerken flink uitgedund. De bergen werden door grondtroepen systematisch uitgekamd en GSPC-kampen en schuilplaatsen vanuit de lucht bestookt.”

„Het resultaat: de meeste geldstromen en smokkelroutes werden blootgelegd. Voor de verder in het nauw gedreven GSPC en nog wat kleinere groepen viel het steeds moeilijker om nieuwe rekruten te vinden. Veel GSPC-leden gaven zich over.”

Maar met de oorlogen in Afghanistan en Irak laaide het vuur weer op, vertelt Boudjema. „De harde kern van de GSPC begreep dat hier een unieke kans lag om de beweging alsnog te redden. Dus gingen ze weer rekruteren. Ze vonden makkelijk jongeren gemotiveerd voor de wereldjihad. De Algerijnse strijd werd dus verpakt in een internationale ideologie: de jihad van alle moslims tegen het Westen.”

Salima Tlemçani van de Franstalige krant El-Watan bestudeert al jaren de Algerijnse radicale moslimorganisaties en gewapende groepen. Ook wat haar betreft houdt de groeiende onmacht bij de GSPC een nieuw en groot gevaar in. „Ik voorspel voor morgen ook zelfmoordacties in overvolle bussen in Algiers of op een volle tribune bij een voetbalwedstrijd”, waarschuwt ze.

„Een van de perverse resultaten van de politiek van nationale verzoening van president Bouteflika – een uitgestoken hand en amnestiemaatregelen voor wie de strijd staakt, gekoppeld aan een systematische klopjacht op hen die blijven vechten – lijkt dat de harde kern nog moorddadiger wordt en suicidaler.”

De aanslagen, zelfmoordoperaties, vaak op de 11de van de maand, met spectaculaire doelwitten, opgeëist compleet met video en islamitische retoriek, tonen daarmee alle kenmerken van Al-Qaeda, de officiële fusiepartner van de GSPC. De grote vraag is hoever de samenwerking gaat.

Voor de socioloog Zoubir Arous van de Universiteit van Algiers speelt vooral de sociale achterstelling van de Algerijnse jongeren een rol. „De massa armen in de steden en het nog erger achtergestelde platteland vormen een haast onuitputtelijke reserve voor de jihadisten. De strijd tegen de lokale en internationale ‘vijanden van de ware islam’ heeft een enorme aantrekkingskracht op de jeugd. En Osama bin Laden is voor veel jongeren een idool”, zegt Arous.

„Maar een organisatorische band met Al-Qaeda in Pakistan of Afghanistan? Nee, er zijn geen bewijzen voor een directe samenwerking; wel van grote sympathie en ideologische symbiose. Veel Algerijnen zijn voldoende gemotiveerd om in Irak te gaan vechten, bijvoorbeeld. Met de internationale jihad voor ogen worden ze lid van de GSPC. En die groep speelt daar handig op in en kopieert ook steeds meer de door Al-Qaeda gebruikte methodes.”

Ook Boudjema van de krant Liberté heeft vooral een Algerijnse verklaring voor het weer opgelaaide geweld. „We zien dat zij zelf een Al-Qaedastempel plakken op hun operaties. Maar nooit hebben Bin Laden of zijn tweede man Zawahiri bevestigd dat zij die operaties in Algiers uitgevoerd hebben. Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb wordt door Al-Qaeda duidelijk te licht bevonden, al doen ze hard hun best met aanslagen op de Israëlische ambassade in Mauretanië en het VN-gebouw in Algiers, bijvoorbeeld. Ze zijn duidelijk op zoek naar wereldschokkende doelwitten, operaties met maximale impact. Het heeft iets pathetisch. Ze zouden zo graag door de internationale jihadisten serieus genomen worden”, aldus Boudjema.

Volgens de veiligheidsdiensten is de grote meerderheid van de leiding van de GSPC afkomstig van de westelijke buitenwijken van Algiers, met name uit Bourouba en Kouba. Maar daar zijn de plaatselijke jongeren verontwaardigd over de kwalijke reputatie die hun gemeenschap en met name de jonge mannen daardoor hebben gekregen: „Heel de wereld zegt nu dat hier de bron zit van alle onheil. Dat is zo onrechtvaardig. Overal heb je goede en slechte elementen”, zegt Ousama, 19 en werkloos.

„Het noodlot wil dat wij hier in Bourouba hoe dan ook al erg achtergesteld zijn. Alleen aan arme drommels heb je hier nooit enig gebrek”, legt Ousama uit. Hij is, zoals veel van de werkloze jongeren hier, geboren rond 1988, dus toen de Algerijnse staat aan het wankelen ging en het moorden begon. Zij hebben niet veel anders gekend. Ousama heeft drie broers. Ze zijn allemaal werkloos.

    • Wilfried Bossier