Het leed van de leraar

Veel leraren in het voortgezet onderwijs zijn niet gerust op de uitkomst van de onderhandelingen tussen minister Ronald Plasterk (OCW, PvdA) en de onderwijsbonden over de verdeling van ruim een miljard euro extra voor verbetering van de lerarensalarissen. Een aantal van hen is daarom gisteren een dagje gaan spijbelen om in Den Haag te demonstreren. De betogers hadden twee belangrijke grieven: de bescheiden beloning voor leraren met een academische opleiding en de werkdruk op school.

Hun verzoek om extra beloning voor een academische opleiding is terecht. Het is onbegrijpelijk dat het kabinet het advies daartoe van de commissie Rinnooy Kan terzijde heeft geschoven. Veel HBO-opleidingen hebben hun accent verlegd van inhoudelijke vakken naar de pedagogiek van de praktijk en naar het nieuwe leren. Universitair opgeleide leraren zijn daarom des te harder nodig om de inhoud van de schoolvakken op peil te houden. Maar omdat een universitaire studie langer duurt dan het HBO, loopt een academicus achter op een HBO’er die jonger is begonnen met werken. Voor pas afgestudeerde academici is dat echter niet zo’n probleem. Ze hoeven immers geen les te geven. Er zijn op de arbeidsmarkt genoeg aantrekkelijke alternatieven. De bonden hebben zich, gezien de gemengde samenstelling van hun leden, in het verleden echter weinig gelegen laten liggen aan het onderscheid tussen een academische opleiding en een in het HBO.

De minister kan de keuze om academici voor de klas extra te belonen, ook niet overlaten aan de schoolbesturen. Die worden door financiële prikkels van de overheid geconditioneerd om zoveel mogelijk leerlingen aan een diploma te helpen. En dat is iets anders dan verbetering van het lesniveau.

De overheid hoort verantwoordelijk te zijn voor het peil van het onderwijs én voor de vooropleiding van de leerkrachten. Een leraar hoort te worden beloond voor de extra kennis die aan de universiteit is opgedaan. Op die manier wint de inhoud van de vakken aan belang.

De meeste leraren willen een vermindering van de werkdruk. Het rapport van de parlementaire commissie Dijsselbloem heeft beschreven hoe het onderwijsvak mede door de vele vernieuwingen zwaarder is geworden. Tweede Kamer en kabinet hebben nog onvoldoende van dit rapport geleerd. Nog steeds is er een neiging de school met extra taken op te zadelen. Nu dreigt er – om alle ouders financieel vrij te houden – een ingewikkelde Europese aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van schoolboeken te worden ingevoerd.

Als de inhoud van de vakken een grotere rol gaat spelen op scholen, krijgen leraren meer gezag in de school organisatie. Dan wordt het beroep leraar ook aantrekkelijker. Nu de Arbeidsmarktbarometer Voortgezet Onderwijs grotere tekorten van bevoegde leraren vaststelt, moeten het kabinet en de Kamer alles inzetten voor een beter werkklimaat op scholen. Dan komen er meer kandidaten solliciteren en zijn oudere leraren bereid om langer door te werken.