Evolutie van de speelhoek

Vandaag promoveert Maaike Lauwaert op de geschiedenis van speelgoed.

Die lijkt op de ontwikkeling van internet: van one to one naar many to many.

Welkom in de wereld van speelgoed 2.0. Speelgoed was ooit: bootjes en poppetjes van zelf bij elkaar gesprokkelde stukjes hout en touw. Daarna kreeg elk kind zijn eigen fabrieksgemaakte blokken-, meccano- of Legodoos. En nu is er bijvoorbeeld Lego Mindstorms, waarbij de fans zelf worden betrokken bij het ontwikkelen van nieuwe typen Legorobots.

Speelgoed heeft een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt als het internet, zegt historicus Maaike Lauwaert. „Het begint met one to one, vergelijkbaar met e-mail. De volgende stap is one to many, zoals bij websites die voor iedereen toegankelijk zijn. En nu de technologie dat toestaat, krijg je dat veel mensen samen aan één site kunnen werken, zoals bij wikipedia: many to many.” Lauwaert promoveert vandaag aan de Universiteit Maastricht op haar onderzoek naar de invloed van technologie op met name constructiespeelgoed, zoals Lego en de Sims-computerspellen. Ze deed archiefonderzoek (oude tijdschriften, bijvoorbeeld van verenigingen van speelgoedhandelaren), interviewde spelers en speelde veel met Lego en Sims, om de techniek van het constructiespeelgoed zelf ook goed in de vingers te krijgen.

Waarom constructiespeelgoed?

„Omdat dat een lange geschiedenis heeft, en ook omdat het een spiegel is van de technologische ontwikkelingen in de maatschappij, al sinds de industriële revolutie. Destijds was er speelgoed van staal, meccano-achtige plaatjes met veel gaatjes, die je met schroef en bout aan elkaar kon vastmaken. Daarmee konden realistische, complexe constructies gemaakt worden, dingen die leken op wat er in de veranderende stad te zien was. Zo konden jongens ondergaan wat hun vaders ondergingen, was het idee. Er bestond een enorme fascinatie voor het ingenieursschap in die tijd – een ingenieur was een held, een droombeeld van wat je kon bereiken. Jongens konden niet vroeg genoeg beginnen met bruggen bouwen.”

En meisjes dan?

„Die speelden met andere dingen, die je eigenlijk amper speelgoed kunt noemen. Broze, breekbare poppen, waar je zeker niet te wilde dingen mee kon doen. Tere theeserviesjes. Poppenhuizen. En op een gegeven moment ook wel stoofjes waarop je echt kon koken, kleine strijkijzertjes, echt werkende bakovens. Speelgoed heeft zeker tot de jaren zeventig van de vorige eeuw die rolverdeling tussen de seksen weerspiegeld. En eigenlijk nog steeds – je hoeft maar naar een speelgoedwinkel te gaan om het te zien.”

U schrijft dat het moderne speelgoed ook bedoeld was om kinderen veilig binnen te houden. Maar er is toch ook altijd wel op straat gevoetbald – door jongens dan?

„Jawel, maar ook buiten heeft men geprobeerd, niet altijd even succesvol, kinderen en hun spel te temmen of te socialiseren. In speeltuinen, bijvoorbeeld, had je opzichters die speciaal waren opgeleid om kinderen ‘goed’ te laten spelen. Zomaar een balletje trappen werd niet gestimuleerd.”

Speelgoed als Lego en Sims, dat u als belangrijkste voorbeelden beschrijft zijn beide ook populair bij volwassenen.

„Ja, dat klopt. Er hebben zich enkele malen duidelijke historische verschuivingen voorgedaan in wie er speelt. Ten tijde van de industriële revolutie werd het acceptabel voor kinderen om te spelen, al was het dan wel met een sterke focus op stichtelijk spelen. Ze hoefden toen minder hard te werken en kregen vrije tijd om in te vullen. Vaak kregen ze ook een speelkamer. Het spelen voor volwassenen was toen nog minder acceptabel. Dat veranderde in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen er een echte vrijetijdscultus ontstond. In Britse en Amerikaanse architectuurtijdschriften uit die tijd stonden vaak plattegronden van woningen, met een grote, open woonkamer waar ook een plek voor ‘speelruimte’ was ingetekend. Daar konden volwassenen Twister spelen en cocktails drinken.”

En de kinderen dan?

„Die speelden er ook. Er werden heel vaak open woonkamers gebouwd, waarbij de vrouw vanuit de keuken toezicht kon houden op het spel terwijl zij zich aan de huiselijke taken wijdde. Dat was ook een verandering. Eerder was de woonkamer vaak een statusplaats voor de mannen; vrouwen moesten naar de keuken of de naaikamer. Maar vanaf de jaren vijftig hadden mannen en vrouwen geen plaats meer om zich af te zonderen en moesten ze het samen zien uit te houden, met de kinderen. Daarbij stond het spelen heel centraal. In die tijd werd het voor volwassenen ook geaccepteerd om te spelen. Je hoort wel vaak dat kinderen steeds jonger oud worden, maar volwassenen blijven ook steeds langer jong. Mensen kijken niet meer op als een man van boven de 35 zijn eigen Playstation heeft.”

Naast Lego en Sims beschrijft u ook het project ‘Face Your World’ van beeldend kunstenaar Jeanne van Heeswijk, waarbij burgers, volwassenen en kinderen samen een park in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart hebben ontworpen.

„Ja, daarmee wilde ik aantonen hoe dat model van many to many werkt op het terrein van beleid en politiek. Het versterkt de band tussen stadsbestuur en stedeling. Maar het gebeurt niet zo vaak dat het ook goed wordt uitgevoerd. Het ontwerp van dit park is in elk geval klaar, en geaccepteerd door het stadsdeel.”

    • Ellen de Bruin