Dromen van de as Parijs-Londen

Leidde Sarkozy’s bezoek aan Groot-Brittannië maar tot meer samenwerking, zegt Timothy Garton Ash. Die is nodig om Europa nog iets te laten voorstellen.

Nicolas Sarkozy Tekening Dario Dario

Frankrijk en Groot-Brittannië kunnen vermoedelijk aanspraak maken op de oudste nationale rivaliteit in de wereldgeschiedenis. Met korte onderbrekingen gaat de wedijver tussen Frankrijk en Engeland nu al bijna zeven eeuwen door, sinds de Honderdjarige Oorlog. De hele Britse identiteit waarop de Britse premier Gordon Brown zo gespitst is, werd gevormd in de achttiende-en vroeg-negentiende-eeuwse strijd met Frankrijk. Groot-Brittannië heeft zichzelf uitgevonden als het anti-Frankrijk.

Deze grote rivaliteit zal nog wel zeven eeuwen doorgaan – op het voetbal- en het rugbyveld. In de politiek heeft ze haar tijd gehad en moet er een strategisch bondgenootschap voor in de plaats komen. Dat is dan ook het voorstel dat de Franse president Nicolas Sarkozy Groot-Brittannië gisteren met vuur en welsprekendheid heeft gedaan, in de stad die hij ironisch omschreef als de op zes na grootste Franse stad ter wereld – Londen. Wij Britten hebben van de andere kant van het Kanaal nog nooit zo’n goed aanbod als dit gekregen: een anglofiele Franse president besloot Groot-Brittannië toe te voegen aan de Frans-Duitse as in de EU; pro-Amerikaans en bereid Frankrijk nader tot de militaire structuren van NAVO te brengen, in het bijzonder in Afghanistan; op zoek naar eensgezindheid voor maatregelen inzake immigratie, klimaatverandering, ontwikkeling en veiligheid. Groot-Brittannië zou wel gek zijn om dit niet met beide handen aan te grijpen.

Staatsbezoeken gaan ook om symboliek, gevoel en stijl – zeker in dit geval, met een bewogen toespraak van Sarkozy tot beide huizen van het parlement, waarin hij niet alleen de lof stak over de Britse offers in oorlogstijd voor de vrijheid van Frankrijk, maar ook over de economische hervormingen van de laatste dertig jaar, en een nieuwe Frans-Britse fraternité tevoorschijn toverde – een entente amicale in plaats van de entente cordiale uit het begin van de twintigste eeuw; om nog te zwijgen over de soap van zijn nieuwe vrouw Carla te midden van de Windsors. Maar de wezenlijke redenering kan zonder een spoor van gevoel worden opgezet, in de taal van de koude analyse van macht en belangen, en dat is iets wat de Fransen en Britten gemeen hebben en wat hen onderscheidt van de meeste andere Europeanen.

De redenering gaat als volgt. Frankrijk en Groot-Brittannië waren achtereenvolgens de grootmachten in Europa. Beide hadden een imperium; beide hadden belangen in de meeste hoeken van de wereld. In de loop van de twintigste eeuw slonk de relatieve macht van Frankrijk en Groot-Brittannië in Europa en slonk de relatieve macht van Europa in de wereld. Nu, met de opkomst van China en India, slinkt de relatieve macht van het Westen als geheel.

Tegelijkertijd zijn steeds meer ontwikkelingen die rechtstreeks hun wezenlijke nationale belangen raken – klimaatverandering, gewaarborgde energie, pandemieën, armoede in Afrika, massamigratie – mondiale uitdagingen die geen enkel land alleen kan oplossen. Een groep landen, zoals de Europese Unie, is misschien wel de kleinste eenheid die daarop een substantiële invloed kan uitoefenen; en dan nog alleen door voorop te gaan in gezamenlijke actie met anderen.

De afgelopen vijftig jaar ging het Europese project vooral over Europa zelf, van de Frans-Duitse verzoening na de Tweede Wereldoorlog tot de hereniging van Oost- en West-Europa na de Koude Oorlog. De komende vijftig jaar zal het vooral gaan om het doen en laten van Europa in zijn betrekkingen met de rest van de wereld, om te beginnen met buurlanden die in de toekomst niet zo één, twee, drie lid van de Unie zullen worden. In de omgang met de rest van de wereld zijn de twee belangrijkste Europese landen Frankrijk en Groot-Brittannië, juist omdat ze de ervaring hebben en de taal spreken van een wereldmacht. Als zij het oneens zijn – zoals vijf jaar geleden over Irak – dan bestaat Europa niet als macht buiten zijn grenzen. Integendeel, dan worden Frankrijk en Groot-Brittannië de polen waaromheen of waartussen de andere landen van een verdeeld Europa zich opstellen. Het gevolg is een kakofonie van onmacht.

Ook als Frankrijk en Groot-Brittannië het eens zijn, bestaat Europa misschien nog niet als macht buiten zijn grenzen – dat vergt ook de medewerking van Duitsland en andere Europese landen – maar dan heeft het in elk geval een kans. Frans-Britse samenwerking is een noodzakelijke, zij het niet toereikende voorwaarde waaronder Europa werkelijk invloed uit kan oefenen op belangrijke kwesties in een wereld die steeds minder Europees is. Daarom zou heel Europa belang moeten hechten aan een strategisch bondgenootschap, een historisch compromis, tussen Parijs en Londen.

Hoe kan de theorie in praktijk worden omgezet? En zijn beide landen er echt aan toe? Ik ben zekerder van mijn antwoord op de eerste dan op de tweede vraag. Het is een kwestie van doen. Je werkt de lijst af van de problemen waarvoor we staan, vergelijkt je analyses, je belangen en je beschikbare instrumenten, en kijkt wat er te doen valt. Nu en dan zal het antwoord unilateraal of bilateraal zijn. Soms zal het neerkomen op gezamenlijk optreden via de VN, waarin Frankrijk en Groot-Brittannië de twee Europese permanente leden van de Veiligheidsraad zijn, of door middel van andere organen, waaronder de NAVO. Maar negen van de tien keer zal het antwoord een Europese dimensie hebben. Bijvoorbeeld doordat Europa als geheel optreedt of doordat de grote Europese landen gezamenlijk optrekkken – zoals in de onderhandelingen met Iran door de ‘E3’ (Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland).

Het Franse voorzitterschap van de EU in de tweede helft van dit jaar biedt een aantal mogelijkheden, vooral gelet op de ontwikkelingen van Sarkozy’s Unie voor het Middellandse-Zeegebied. Volgend jaar zou het dankzij het verdrag van Lissabon iets gemakkelijker moeten worden om het Europese buitenlands beleid te coördineren. Als Groot-Brittannië en Frankrijk willen, kunnen ze samen gestalte geven aan de beoogde Europese buitenlandse dienst, en door daar hun beste ambtenaren te plaatsen gezamenlijke oplossingen vinden op terreinen waar ze gezamenlijke Europese belangen hebben. Maar dan moet je wel volhouden en de dagelijkse gewoonten van een samenwerking ontwikkelen, waarbij Fransen en Britten op elk niveau van het openbaar beleid samen optrekken. Zo is de bijzondere Frans-Duitse verhouding tot stand gekomen, door de overbrugging van aanwijsbaar grotere verschillen van wereldbeeld en traditie in het buitenlands beleid. Deze exercitie doet denken aan de definitie van politiek van Max Weber – gaten door dikke planken boren – maar het is te doen.

De echte vraag is of beide landen hieraan toe zijn. Ik vrees dat Groot-Brittannië nog weleens niet zover zou kunnen zijn. Zou Sarkozy tien jaar geleden met dit aanbod zijn gekomen, toen Tony Blair nog fris was na zijn eerste verkiezingsoverwinning, dan zou het misschien een ander verhaal zijn geweest. Maar Brown in 2008 is geen Blair in 1998 – niet in zijn persoonlijke instincten en niet in zijn politieke mogelijkheden.

Toch zijn het Sarkozy’s companen op de rechtervleugel aan de Engelse kant van het Kanaal die zijn visioen vermoedelijk kapot zullen maken. Want op dit vraagstuk willen de meeste Britse Conservatieven domweg niet ingaan. Als je hen persoonlijk spreekt, zien ze de logica van de redenering die ik schetste schoorvoetend nog wel in. Maar politiek weigeren ze er de logische conclusie uit te trekken: wie de wereld wil veranderen, moet dat doen via Europa, en zoals Sarkozy in een gesprek met de BBC zei: „Wie Europa wil veranderen, moet er met beide voeten in staan”.

Uiteindelijk zullen ze hier achterkomen, na een paar jaar aan de macht te zijn – net als al hun voorgangers; maar dan zullen die jaren verloren zijn, zal Sarkozy er misschien niet meer zijn om zaken mee te doen, en zal de relatieve macht van Groot-Brittannië, Frankrijk, Europa en het Westen nog verder afgenomen zijn. De Conservatieven worden geleid door zeer intelligente mensen, maar in deze kwestie, essentieel voor de toekomst van niet alleen Groot-Brittannië, verdienen ze ten volle hun oude bijnaam: the stupid party.

Timothy Garton Ash is hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Oxford.

    • Timothy Garton Ash