Die ander

Hilário had niet eens willen schieten. Hij had met zijn dronken kop zijn pistool uit de la gepakt, gewoon om haar schrik aan te jagen.

Een soldaat zonder een pistool in de la bestaat niet. Een soldaat die ze de oorlog in hebben gestoten en die het heeft overleefd zal nooit meer zijn pistool uit het oog verliezen.

In zijn huurkamer, waar de luiken eeuwig dicht waren, stond een commode en de grote rechterbovenla van die commode was volgestouwd met kleedjes, tafelkleedjes, antimakassars, kleedjes voor onder de glazen en kleedjes voor onder de kannen. Ajour, met mimosa-stiksels, met een brede of een smalle rand, met kwasten, met doorkijkjes. Ovaalvormig, rond, hartvormig, geassembleerd. Gehaakt en geborduurd en gefröbeld door de vrouw des huizes, en door al de dochters, tantes, nichten en dienstmeiden die ooit haar huis hadden bevolkt.

In die la troonde het pistool, op honderd jaar naaldwerk. Een juweel op een dik kussen.

Hij had met zijn pistool staan zwaaien omdat zij met die ander was geweest, een slungel en geen soldaat, een groentje en geen overlevende, of zoiets. Wist hij veel. Die ander.

Hij had verwacht dat zij op haar knieën zou vallen en dat ze naar hem toe zou kruipen. Dat ze zijn enkels zou beetpakken en hem om vergiffenis zou smeken. Zo ging dat in de boeken die hij had gelezen.

Hij had jaren gekend dat hij veel had gelezen, vooral vlak na zijn terugkeer uit Afrika. Hij had zich in het dagelijks leven maar moeilijk kunnen concentreren. Zodra hij naar het landschap keek begon het te dansen. De mensen vervaagden. Maar boeken zorgden dat hij zijn verstand bij elkaar hield.

Zij bleef staan, uitdagend bijna. Door die tartende houding was het niet gekomen. Dat was de reden niet.

Het was iets van buitenaf.

Hij had de luiken van de kamer opengeduwd om haar beter te kunnen zien. Een pistool kon hij op de tast pakken, maar om haar te imponeren en signalen van woede uit te zenden was licht nodig. Bij het openen van de luiken viel zijn oog op het landschap – en er was op dat moment iets in dat landschap – een lichtval, een glooiing, een vlucht vogels – waardoor hij in een flits en volstrekt bij verrassing werd herinnerd aan net zo’n uitzicht in Afrika – juist terug van een schermutseling was hij, en er kleefde bloed aan zijn handen en polsen, het bloed van een vriend. Bijna veertig jaar geleden was dat. Hij had daar op zijn halfduistere kamer geen moment gedacht aan de oorlog, wat zelden voorkwam, de hele dag niet. Het was vanwege de lichtval geweest. Vanwege de vogels. Stom toeval. Niets had het met de oorlog te maken.

De herinnering had op geen ongelukkiger moment kunnen komen.

Opnieuw ging het landschap dansen, maar ijler dan anders, zoals hete lucht danst boven een asfaltweg. De bergen werden geel, hardgeel. Even rilde hij. Toen schoot hij zijn pistool op haar leeg. In blinde woede had hij ook nog naar een mes gegrepen. Om het werk af te maken.

Hij had haar nooit kwaad willen doen. Het een was van het ander gekomen, meer niet.

Gerrit Komrij