De zachte hand van Tata

Tamelijk geruisloos zijn Indiërs uitgegroeid tot een van de belangrijkste buitenlandse investeerders in Groot-Brittannië. Tot ieders tevredenheid, zelfs bij de Britse vakbonden.

Met enig triomf begroetten veel Indiërs gisteren het nieuws dat Tata, India’s grootste concern, de gerenommeerde Britse autobedrijven Jaguar en Landrover voor 2,3 miljard dollar overneemt van Ford. „Jaguar is nu een Indiaas dier”, kopte de Times of India. Anderen spraken van een opmerkelijke omkering van het kolonialisme.

Tata-functionarissen hoedden zich er gisteren wel voor zelf als agressieve roofdieren te klinken. „We koesteren enorm veel respect voor beide merken”, aldus Tata-topman Ratan Tata, „en we zullen proberen voort te bouwen op hun staat van dienst en concurrentievermogen, waarbij we hun identiteit intact laten.”

Zulke woorden kunnen niet verhullen dat er zich geleidelijk aan een patroon begint af te tekenen van Indiase overnames in Groot-Brittannië. Vorig jaar al had Tata het Brits-Nederlandse staalconcern Corus overgenomen, terwijl het in 2000 ook het Britse theebedrijf Tetley’s inlijfde.

Tata staat niet alleen. Vorig jaar kocht bijvoorbeeld de UB-groep van de Indiase entrepreneur Vijay Mallia voor 600 miljoen pond het Schotse drankconcern Whyte & Mackay, de op drie na grootste whiskyproducent ter wereld.

Daarnaast zijn er steeds meer Indiase bedrijven die eigen vestigingen openen in Groot-Brittannië. Vooral in de ICT-sector gebeurt dat op grote schaal. Infosys is een van de belangrijkste op dat terrein. Het opende in 2000 en groeit sindsdien jaarlijks met 60 procent. Inmiddels werken er ruim 1.500 mensen en het bedrijf zoekt, net als Indiase concurrenten, de Britse universiteiten af naar talentvolle jonge ingenieurs en andere technici. De jaaromzet beloopt ongeveer 1 miljard pond.

„Historisch gezien hebben we altijd veel contact gehad en ook de Engelse taal was voor ons een factor. Daarom lag het voor de hand dat we bij een van onze eerste buitenlandse vestigingen voor Groot-Brittannië kozen”, aldus Infosys-woordvoerder Nathan Linkan.

Tamelijk geruisloos zijn de Indiërs zo uitgegroeid tot een van de belangrijkste buitenlandse investeerders in Groot-Brittannië en in het bijzonder Londen. In de hoofdstad namen ze over de periode van 2003 tot 2007 16 procent van alle buitenlandse investeringen voor hun rekening. Daarmee was hun aandeel na het Amerikaanse (31 procent) het grootste, groter dan dat van de Fransen, Japanners of Chinezen.

Groot-Brittannië werkt als een magneet op Indiase investeringen, mede doordat er al sinds jaar en dag honderdduizenden Indiërs in het land zijn gevestigd. Zo’n 60 procent van alle Indiase investeringen in Europa gaat naar het Verenigd Koninkrijk. De helft daarvan naar de ICT-sector. Daarnaast zijn er onder meer Indiase banken en callcenterbedrijven, die kantoren hebben geopend.

De Britten accepteren de overname van bekende merken van eigen bodem door bedrijven uit voormalige koloniën gelaten. Zowel de regering als de bevolking ziet het als een onvermijdelijk gevolg van het liberale beleid om buitenlandse bedrijven vrij toegang tot de eigen markt te geven.

Hier komt bij dat juist Tata een uitstekende naam heeft op het terrein van de arbeidsverhoudingen. Tekenend was dat zelfs de Britse vakvereniging gisteren niet tegensputterde bij het nieuws dat Jaguar en Landrover in Indiase handen zouden overgaan. Bij Corus bleek immers al dat Tata met betrekkelijk zachte hand te werk gaat. Het oude management werd goeddeels gehandhaafd en de relatie met de bonden is er goed.

Een verschil is echter dat de markt voor staal sinds de overname steeds goed is geweest. Veel analisten vragen zich echter af hoe Tata het al jaren verlies lijdende Jaguar weer winstgevend kan maken zonder harde ingrepen. Als Ford daarin al niet slaagde, hoe zou het Indiase bedrijf dat dan gedaan kunnen krijgen? Lukt die operatie echter, dan zal het bedrijf met nog meer respect worden behandeld.

    • Floris van Straaten