De klok gaat zinloos voorwaarts

Door zondagnacht de klok vooruit te zetten, zouden we energie besparen. Maar bijna een eeuw nadat de zomertijd is uitgevonden, is nog nooit bewezen dat die ook echt zuiniger is.

ellen de bruin

In de lente van 1784 deed Benjamin Franklin, Amerikaans afgevaardigde te Parijs, een grote ontdekking. Hij werd om zes uur ’s ochtends wakker van een vreemd geluid (waarvan we wel nooit zullen weten wat het was) en toen hij naar buiten keek bleek de zon om die tijd niet alleen al op te zijn, maar ook al licht te geven. Dit, zo schreef hij in een humoristisch essay, had vóór hem waarschijnlijk nog nooit iemand opgemerkt. Hoeveel kaarsen, en dus geld, kon je vooral in de zomer wel niet uitsparen door een paar uur eerder te leven!

Dat van die zon was weliswaar al bekend, maar Franklins essay wordt nog steeds in de wetenschappelijke literatuur aangehaald – als één van de eerste beschrijvingen van zomertijd, oftewel daylight saving. Aanstaande zaterdag is het weer zover: dan zetten we de klok ’s nachts een uur vooruit, opdat we ’s avonds een uur later het licht zullen aandoen. Dat zou energie moeten sparen. Maar of het dat ook echt doet, weten we eigenlijk niet, schrijven Canadese onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Energy Policy (19 maart online). Zij hebben al het onderzoek dat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw naar dit onderwerp gedaan is, op een rijtje gezet. De resultaten blijken tegenstrijdig, vaak verouderd en gebaseerd op verkeerde aannames.

De wetenschappers beschrijven eerst de geschiedenis van daylight saving. Hoe na Franklin de Britse aannemer William Willet pas in 1909 er als eerste voor pleitte om de klok op vier achtereenvolgende zondagen in de lente steeds twintig minuten vooruit te zetten – een idee dat het niet haalde. Hoe de Duitsers in 1916 de eersten waren die de zomertijd ook daadwerkelijk invoerden, in 1918 gevolgd door de Amerikanen, om energie te besparen in oorlogstijd.

In het interbellum werd geen zomertijd ingesteld, maar in de Tweede Wereldoorlog en tijdens de oliecrisis in de jaren zeventig weer wel – in de Verenigde Staten werd de klok zelfs het hele jaar een uur teruggezet. Sindsdien zijn er wereldwijd steeds meer landen, vooral op het noordelijke deel van het noordelijk halfrond, die een vorm van daylight saving hebben geïntroduceerd omdat dat energie en dus geld zou besparen.

Maar of het dat echt doet, is lastig meetbaar. Als we het licht ’s avonds later aandoen, doen we dat misschien ’s ochtends wel eerder. En op lange zomeravonden gaan we er misschien wel lekker lang met de auto op uit naar energievretend vermaak. Mensen die airconditioning hebben, zetten die graag hoog. We verbruiken sowieso steeds méér.

Al met al bleek slechts uit enkele van de onderzoeken uit de jaren zeventig een kleine elektriciteitsbesparing, maar sinds die tijd zijn de gewoontes wat betreft energiegebruik ook weer veranderd. De Canadese onderzoekers stellen voor om vooral ook maar onderzoek te doen naar ándere manieren om de burger later het licht te laten aandoen – zoals meer lichtkoepels, ramen in het dak.

Tot zover de bedoelde effecten van daylight saving. Er zijn ook onbedoelde effecten. Zo lijkt de zomertijd invloed te hebben op het aantal verkeersongelukken. Ook hier zijn onderzoeksresultaten niet eenduidig: volgens het ene onderzoek komen ze tijdens de zomertijd minder vaak voor, volgens het andere onderzoek vaker – vooral tijdens de donkere ochtenden en omdat mensen te kort hebben geslapen. Dat is in elk geval wel duidelijk: mensen slapen de eerste dagen na de overgang naar zomertijd gemiddeld een uur korter dan normaal. Over het algemeen zijn ze er binnen een week aan gewend bij het opstaan.

Maar zomertijd tast wel de biologische klok van mensen aan. Tijdens de zomertijdperiode, maar niet tijdens ‘wintertijd’, blijkt de menselijke activiteit namelijk de (vaste) kloktijd te volgen, en niet de (licht verschuivende) zonnetijd, ontdekten onderzoekers uit Groningen en München onlangs (Current Biology, november 2007). Niet dat dat heel erg is, mensen leven toch steeds meer bij de klok en minder bij de zon.

Ernstige psychische gevolgen heeft het ook niet: daylight saving blijkt, in tegenstelling tot wat psychiatrisch verpleegkundigen vroeger dachten, het aantal zelfmoorden en andere ernstige psychiatrische symptomen niet te vergroten. Wel vinden de meeste mensen de overgang naar ‘wintertijd’ prettiger. In een onderzoek uit 1980 bleek dat mensen vlak na die overgang ’s ochtends beter kunnen rekenen, en dat dat vooral verklaard werd door hun betere ochtendhumeur.