Verdeling gokgeld verdeelt bonden

De sportbonden botsten gisteravond met elkaar in Papendal over de verdeling van geld uit gokinkomsten. Het werd een discussie over lidmaatschap en contributie.

„Dit is een hopeloos verdeeld huis”, verzuchtte voorzitter Erica Terpstra van sportkoepel NOC*NSF gisteravond tijdens een extra ledenvergadering. De oorzaak? Sportbonden die ruziën over de verdeling van zo’n vijftien miljoen euro aan Lottogelden.

Het was typisch zo’n discussie van botsende belangen en starre standpunten. Bonden die te maken hebben met individuele sporters vrezen dat de teamsporters kwantitatief in het voordeel zijn en het meeste geld opstrijken. Omgekeerd willen de teamsporters voorkomen dat bonden met individuele sporters hun geld afsnoepen door leden te werven met lage contributies.

Het twistpunt was de definitie van het lidmaatschap, dat geldt als criterium bij de verdeling van bijna eenderde deel van de 40 miljoen aan Lottogelden. De hamvraag: wie moet er wel en niet als bondslid worden aangemerkt?

De bonden van teamsporters hebben door de aard van hun sport een voorsprong. Voor bijvoorbeeld een voetbalploeg of hockeyteam heb je minimaal elf spelers nodig. Individuele sporters zijn veel moeilijker te vangen door bonden; een probleem waar vooral de atletiekunie mee worstelt. Verreweg de meeste recreatieve hardlopers zijn geen bondslid en tellen dus niet mee bij de verdeling van Lottogelden.

Met een openbare discussie over de normen voor het lidmaatschap had het bestuur van NOC*NSF gisteravond gehoopt zodanig geïnformeerd te worden dat het in mei tijdens de voorjaarsvergadering met een breed gedragen voorstel over de verdeelsleutel kan komen. Maar nadat de kruitdampen waren opgetrokken, gaf de peiling onder de bonden geen helder beeld. Er stemden 23 bonden voor de laagdrempelige bondscontributie van vijf euro per lid. Maar er kozen ook 23 bonden voor een bondsbijdrage van vijf euro in combinatie met een minimale clubcontributie van 25 euro per lid per jaar.

De redenering van de ‘vijf-euro-bonden’ is dat het uitgangspunt moet zijn om mensen aan het sporten te krijgen en dat daarvoor een hoge (financiële) drempel ongewenst is. Pleitbezorgers, naast de atletiekunie, waren onder andere de golffederatie, de hippische federatie en de klootschietbond.

Het tegengeluid kwam van onder meer de hockey-, voetbal- en tennisbond, die erop wezen dat zij waar voor hun geld bieden met goede accommodaties en vele vrijwilligers. Met andere woorden: een sporter moet wat over hebben voor zijn liefhebberij en krijgt daarvoor in ruil de nodige faciliteiten. En in hun beleving is 25 euro daarvoor een ondergrens. In jargon: er moet een onderscheid worden gemaakt tussen consumerende en participerende leden.

Als het in mei op een stemming aankomt en de stemverhouding blijft ongewijzigd, dan staat vrijwel vast dat het ‘vijf-vijfentwintig-voorstel’ wordt aangenomen.

Voor Erica Terpstra was de onenigheid aanleiding gisteravond te besluiten een peiling te houden onder alle leden (niet alle bonden waren aanwezig, red.). Aan de hand van de uitkomst daarvan komt het bestuur van NOC*NSF in mei volgens Terpstra met „een afgewogen voorstel”.

    • Henk Stouwdam