Sorry Obama, het is ook een beetje onze schuld

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: wat maakte van racisme eigenlijk een ‘isme’?

Racisme is vorige week toch onderwerp van discussie geworden tijdens de voorverkiezingen van het Amerikaanse presidentsschap, ondanks alle inspanningen van de Democratische kandidaat Barack Obama om het thema te mijden. Aanleiding waren enkele anti-Amerikaanse uitlatingen van de zwarte dominee Jeremiah Wright – de vroegere predikant van Obama. Wright hekelde onder andere de „heerschappij van de rijke blanken” in zijn land. Obama nam hier onmiddellijk afstand van, maar erkende dat in de VS nog altijd „grote spanningen” bestaan tussen zwarten en blanken.

De gemiddelde Europeaan zal zich hebben afgevraagd hoe het mogelijk is dat een moderne, westerse democratie als Amerika nog altijd zo gebukt gaat onder het rassenvraagstuk. In Europa is van structureel racisme al zeker vijf decennia geen sprake meer, onder andere doordat racistisch gedachtegoed sterk in onmin raakte na de Tweede Wereldoorlog. Het lijkt in ieder geval ondenkbaar dat in Nederland anno 2008 de huidskleur van een Kamerlid of potentiële premier onderwerp van verhit debat zou zijn.

Nu is racisme geen Amerikaans fenomeen. Het zou te kort door de bocht zijn racisme van alle tijden te noemen – tienduizend jaar geleden waren er geen mensenrassen – maar vooroordelen op basis van ras en afkomst zijn geen ‘modern’ verschijnsel. Lange tijd is dat in de academische wereld wel de consensus geweest. Volgens de meeste historici deed racisme als gedachtegoed voor het eerst opgeld ten tijden van het Europese kolonialisme en de slavenhandel aan het einde van de 19de eeuw.

Maar de Zwitserse historicus Benjamin Isaac, auteur van het boek The Invention of Racism in Classical Antiquity (2004), concludeerde na een uitgebreide studie dat die kijk op de geschiedenis een verkeerde voorstelling van zaken is. Zowel bij de Romeinen als de Oude Grieken, stelt Isaac, zijn bijvoorbeeld sporen te vinden van opvattingen die nu bekend staan als ‘klimatologisch’ racisme: discriminatie op grond van uiterlijke kenmerken die voortkomen uit verschillen in geografische en klimatologische omstandigheden.

Zo was de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) van mening dat zijn eigen land een „ideaal klimaat” had. De Grieken waren daarom het beste toegerust om over ‘slaafse’ Aziaten en Afrikanen te heersen, stelde hij. Zijn leermeester Plato (427-347 v. Chr.) was van mening dat het gematigde klimaat in Griekenland de oorzaak was van de wijsheid van het Griekse volk – hij noemde de Egyptenaren en Feniciërs (inwoners van het huidige Libanon) „incompetent” vanwege de hitte en het gebrek aan water aldaar. Plato was bovendien de geestelijke voorvader van wat in de 19de eeuw bekend kwam te staan als eugenetica: het fokken van een superieur mensenras. De Griekse wijsgeer stelde in het boek De Republiek namelijk als eerste voor om alleen „de beste mannen en de beste vrouwen” seks met elkaar te laten hebben.

Toch was er in de oudheid niet echt sprake van een coherent racistisch gedachtegoed. Het betrof meestal een bundeling van onsamenhangende vooroordelen in plaats van met argumenten gelardeerde theorieën. Daar kwam tijdens de Europese Verlichting verandering in. Met een beroep op de rede en aangejaagd door de ontwikkeling van de biologie kregen racistische vooroordelen voor het eerst een wetenschappelijke en ideologische dimensie. De Britse filosoof John Gray (1948) noemt racisme daarom ook „een product van de Verlichting” – racisme werd toen echt een ‘isme’. Zo noemde Immanuel Kant (1724-1804), die onder de indruk was geraakt van de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1882), het blanke ras „het meest geschikt voor vooruitgang”. Afrikanen waren in zijn ogen „voorbestemd voor slavernij”. Ook de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) schreef destijds: „Ik ben geneigd te denken dat negers inferieur zijn aan blanken.” De liberaal John Stuart Mill (1806-1873) hield er een soortgelijke opvatting op na over Aziaten.

Racisme als ideologie kan dus een Europees fenomeen worden genoemd, dat door middel van kolonisatie uiteindelijk over de wereld is verspreid, en ook in de Verenigde Staten wortel heeft geschoten. De toen al vrij gangbare slavernij kon plots worden gerechtvaardigd op rationele gronden; er werden in Amerika uitgebreide studies verricht naar de genetische en psychologische eigenschappen van zwarte Afrikanen met als doel hun inferioriteit te bewijzen.

Bij onze verbazing over het rassenprobleem in de VS past dus wel enige bescheidenheid: Europeanen zijn in zekere zin medeverantwoordelijk voor deze immer voortslepende kwestie. De rationalisatie van natuurlijke ongelijkheid tussen mensen door de verlichtingsdenkers van weleer, heeft het racisme een aura van wetenschappelijkheid gegeven die het daarvóór nooit had. Daardoor won racisme enorm aan overtuigingskracht, met als dieptepunten de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Apartheid in Zuid-Afrika.

Maar ook nu nog lijkt racisme niet geheel uit ons eigen (politieke) denken verdwenen, getuige de 1.300 mensen die afgelopen weekend demonstreerden op de Dam in Amsterdam tegen racisme in Nederland. De demonstratie was georganiseerd door het platform Nederland Bekent Kleur en was met name gericht tegen de anti-islamitische uitlatingen van PVV-leider Geert Wilders. De vraag is evenwel of Wilders wel van ‘racisme’ beticht kan worden. Twee gegevens spreken dat namelijk tegen.

Allereerst heeft Wilders herhaaldelijk benadrukt zich niet te richten tegen moslims, maar tegen de islam „als ideologie”. Hij is, met andere woorden, een criticus van de islam, geen racist. Bovendien gaat het bij racisme altijd om discriminatie op grond van niet-gekozen of onveranderlijke eigenschappen, zoals huidskleur of afkomst. Wilders zegt echter geen onderscheid te maken tussen mensen op grond van niet-gekozen, onveranderlijke eigenschappen: religieuze overtuigingen zijn immers een keuze. Je kunt, volgens hem, besluiten in de Koran te geloven of niet.

Toch is enige verwarring wel begrijpelijk. Wilders spreekt zichzelf namelijk op deze twee punten ook vaak tegen. Zo is het onduidelijk wat voor Wilders het verschil tussen een moslim en de islam precies is. De PVV-leider heeft namelijk herhaaldelijk blijk gegeven van een klassiek Kantiaanse opvatting over identiteit; hij definieert de menselijke identiteit als de morele overtuigingen die een persoon heeft. Zo ziet Wilders de normen en waarden uit de Verlichting – vrijheid, autonomie van het individu, tolerantie – als constitutief voor wat hij ‘de Nederlandse identiteit’ noemt. ‘Nederlander’ ben je, volgens hem, als je deze normen en waarden onderschrijft. In dezelfde lijn der gedachte moet ook ‘de islam’ constitutief zijn voor de islamitische identiteit: je bent ‘moslim’ als je de islamitische normen en waarden onderschrijft. Wilders’ onderscheid tussen ‘islam’ en ‘moslim’ is dus retoriek. Volgens zijn eigen opvatting over identiteit zijn die twee zaken hetzelfde. Dat kan ook niet anders: zonder ‘moslims’ zou er immers ook geen ‘islam’ in Nederland zijn.

Ten tweede heeft Wilders meerdere malen gezegd dat hij de islam beschouwt als een onveranderlijke ideologie. „De islam is de Koran” zei hij ooit in een interview – en de Koran is in veertien eeuwen ongewijzigd gebleven. Dat is volgens Wilders dan ook precies het probleem met de islam: anders dan het christendom is de islam nooit aan emancipatie onderhevig geweest en zal ze dat ook niet zijn. „Als de islam al kan veranderen, dan duurt dat drieduizend jaar, en daar wil ik niet op wachten”, stelde Wilders ooit in een debat met minister Vogelaar (Integratie, PvdA).

Tel deze twee standpunten bij elkaar op en je begrijpt waarom sommigen Geert Wilders van racisme betichten. Wie zijn redeneertrant volgt, komt namelijk tot de conclusie dat Wilders de islam beschouwt als een statische ideologie die constitutief is voor het ‘moslim-zijn’. Met andere woorden: de islam is een onveranderlijke eigenschap van moslims. En als je daar dan als politicus aan toevoegt dat de islam bestreden en uitgebannen moet worden, is dat inderdaad op te vatten als discriminatie op grond van niet-gekozen eigenschappen – als racisme dus.

Het zou een hoop verwarring en demonstraties schelen als Wilders hierover eens ondubbelzinniger kleur bekent.

Rectificatie / Gerectificeerd

correcties en aanvullingen

Kant, Darwin en Mill

In het artikel Sorry Obama, het is ook een beetje onze schuld (woensdag 26 maart, pagina 18 en 19) wordt gemeld dat Immanuel Kant (1724-1804) onder de indruk was geraakt van de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1882). Bedoeld werd dat John Stuart Mill (1806-1873), die enkele zinnen later in het stuk wordt opgevoerd, onder de indruk was geraakt van Darwins theorie.

    • Rob Wijnberg