Nog één keer door de lucht zweven

The Bucket List. Regie: Rob Reiner. Met: Jack Nicholson, Morgan Freeman. In 35 bioscopen.

Oud, dik, kaalgeschoren en ook nog eens bloed ophoestend – en dan toch de filmkijker in de ban weten te houden. Dat krijgt alleen een ware filmster voor elkaar, zoals Jack Nicholson in The Bucket List. Hij speelt de bikkelharde, steenrijke zakenman Edward die op een ziekenhuiskamer komt te liggen met de eveneens terminale automonteur Carter (Morgan Freeman), die eigenlijk docent geschiedenis had willen worden en de hele film lang zinloze historische feiten debiteert. Beide sterren zijn getypecast: Freeman als het bezonnen en wijze personage, Nicholson hedonistisch en nogal agressief, zoals we ze al jaren kennen.

Beiden krijgen slecht nieuws in het ziekenhuis. Ze hebben niet lang meer te leven, waarop de zakenman zijn kamergenoot uitnodigt om nog een keer samen alles te doen waarvan ze ooit hebben gedroomd, in een bejaarde variant op het televisieprogramma Try Before You Die.

De mannen werken een wenslijstje af, totdat het ‘kicking the bucket’ (‘de pijp uitgaan’) niet langer valt uit te stellen. Ze gaan op wereldreis: ze beginnen met een parachutesprong, dineren aan de Middellandse Zee, beklimmen de piramiden, bezoeken de Taj Mahal en vervoegen zich aan de voet van de Mount Everest. Zulke vitale kankerpatiënten ziet een mens niet elke dag.

Naar verluidt heeft Jack Nicholson, die zijn carrière ooit begon als scenarioschrijver persoonlijk het script verbetert – veel heeft het niet geholpen. Nicholson maakte eerder met regisseur Rob Reiner het geslaagdere A Few Good Men.

Uiteindelijk ontdekken de mannen natuurlijk dat niet de materiële geneugten de waarde van het leven uitmaken, maar liefde, familie en spiritualiteit. Maar die moraal wordt er wel even snel doorheengejast in de laatste minuten. De meeste filmtijd gaat op aan de hedonistische avonturen. De werkelijke moraal van deze oppervlakkige film is dan ook: zorg dat je genoeg geld op de bank hebt staan, om nog een keer goed uit de band te springen, voordat Magere Hein aanklopt.

    • Peter de Bruijn